Onderzoek heb ik er niet naar verricht, maar het valt me op dat ik een verjaardag vaak verlaat met de gedachte dat de advocatuur het vakgebied is waarover de meeste vooroordelen bestaan. Eén van die vooroordelen houdt in dat een advocaat gekleed gaat in een pak met een das. Dat vooroordeel houdt onder meer in, en daar schijnt wel onderzoek naar te zijn verricht, dat cliënten ervan uitgaan dat hun raadsman een pak met een das draagt. Dat gaat zelfs zo ver dat op etiquettecursussen (dat deze bestaan mocht ik onlangs aan den lijve ondervinden), wordt geleerd dat de raadsman die niet aan die verwachting voldoet ‘één-nul’ achter komt te staan. De vrees daarvoor is wellicht de belangrijkste reden dat de directies van sommige advocatenkantoren, ondanks het pleidooi van wijlen ZKH Prins Claus, een pak met das nog altijd verplicht stellen.
In dat toch wel klassieke en in bepaalde opvattingen ouderwetse kledingvoorschrift ligt het marketingkundige oordeel besloten dat het goed is om aan de verwachtingen van de cliënt tegemoet te komen. Dat ‘pleasen’ van de cliënt, om het zo te noemen, kent evenwel zijn grenzen. Zo verwacht men ook dat het pak met das een heer van middelbare leeftijd huisvest. Aan die verwachting kan niet altijd tegemoet worden gekomen, want daar staan (gelijke behandelings)wetten aan in de weg. En wat mij persoonlijk betreft ook praktische bezwaren.
Op kwesties over vrijheid van godsdienst na, zijn die wetten er op het punt van de kledingvoorschriften niet. Dat komt tot uitdrukking in de bevoegdheid van het bevoegd gezag om in redelijkheid eisen te stellen aan de wijze waarop de medewerker zich kleedt. Dat kan vergaande gevolgen hebben, want een medewerker die zich stelselmatig weigert te voegen naar de kledingvoorschriften van de werkgever kan ontslag worden verleend. In het ambtenarenrecht deed dat zich voor in de zaak die leidde tot de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 26 juni 2008, LJN: BD6274. Die zaak ging over een ambtenaar, die in tijdelijke dienst was aangesteld, en die ‘in burger’ op het werk verscheen, daar waar dienstkleding was voorgeschreven. Dat leidde met goedvinden van de Centrale Raad van Beroep tot ontslag.
Dat het bevoegd gezag de ambtenaar die weigert de dienstkleding te dragen mag ontslaan is weinig opzienbarend. Meer discussie zal bestaan over de vraag of het bevoegd gezag aan een jurist die dat gezag ter zitting van, laten we zeggen de Raad van State, vertegenwoordigt mag bevelen een pak met das te dragen. Redelijke dienstopdrachten moeten worden nagekomen, en dit lijkt mij zo’n redelijke dienstopdracht. De als ambtenaar aangestelde jurist die in strijd met de dienstopdracht ter zitting geen pak met das draagt, stellende dat goede wijn geen krans behoeft, maakt zich zodoende schuldig aan plichtsverzuim. Maar wat als deze jurist wat recalcitrante trekken heeft en zich ter zitting meldt in een kanariegeel pak met een roze das? Dat getuigt niet van een klassieke kledingstijl, en het zou hem achterin het Volkskrant Magazine (voor de vaste lezers) een reprimande kunnen opleveren. Maar is dit ook ambtelijk plichtsverzuim? Persoonlijk meen ik van wel, want van een functionaris van dat niveau mag verwacht worden dat hij met een dergelijke outfit handelt in strijd met de achterliggende gedachte van de aanzegging dat hij een pak met das moet dragen, namelijk dat een vertegenwoordiger van het bevoegd gezag zich representatief dient te kleden. Ook in de uitkeringsfeer kan de kledingsmaak repercussies hebben. Een gewezen ambtenaar die geboden passende arbeid weigert, omdat hij op grond van zijn persoonlijke opvattingen kleding naar zijn voorkeur en niet de voorgeschreven bedrijfskleding (het ging hier om een zogenoemd ‘Melkert-pak’) wil dragen, is, om met de Centrale Raad van Beroep te spreken, als gevolg van die voorkeur werkloos geworden en zijn uitkering dient door UWV blijvend geheel te worden geweigerd. Zie CRvB 15 november 2000, LJN: AA9653.
We kunnen dus vaststellen dat het bevoegd gezag in redelijkheid eisen mag stellen aan de kleding van de ambtenaar en dat de consequenties daarvan vergaand kunnen zijn. Als ik mij nu probeer te verplaatsen in een bestuurder van een werknemersorganisatie, dan vind ik dat voor de medewerker tegenover elke plicht een recht moet staan. Dat pleit voor een recht op een kledingbudget voor elke medewerker aan wie kledingeisen worden gesteld. In sommige beroepen is dat pleidooi helemaal niet nodig, want daar bestaat al recht op ‘kleedgeld’. Ik denk dan aan politieambtenaren aan wie een kledingbudget ter beschikking is gesteld. Dat zo’n budget niet zaligmakend is en tot problemen kan leiden komt in de volgende zaak treffend naar voren. Er was eens een politieagent, die het nodig vond zijn vriendin eens te verwennen, en voor haar een badpak (ten bedrage van € 33,62) en damesschoenen (ten bedrage van € 86,98) aanschafte. Hij boorde daarvoor zijn door de politieregio ter beschikking gestelde kledingbudget aan. Of hij naar aanleiding daarvan op een tevreden vriendin kon rekenen vertelt het verhaal niet, maar waar hij in elk geval wel op kon rekenen was een door de Centrale Raad van Beroep gesanctioneerd disciplinair ontslag (zie CRvB 30 juni 2005, TAR 2005, nr. 136).
Dat brengt mij op een afsluitende persoonlijke noot, die tevens dient als aantekening voor mijn aanstaande eindejaarsgesprek, en die houdt in dat ik persoonlijk het recht op kleedgeld in de advocatuur nog niet heb ontdekt. En dat terwijl pakken en dassen toch best aan de prijs zijn. Om van de schoenenvoorkeur van mijn vriendin nog maar te zwijgen.
Gerdin Boelens.