De commissie van beroep in het onderwijs

De commissie van beroep in het onderwijs

Dit stuk gaat over de zogenaamde commissie van beroep in het onderwijs. Deze commissie bestaat op grond van de Cao, en oordeelt over onder meer schorsingsbesluiten. Uitspraken van deze commissie worden niet vaak in vaktijdschriften gepubliceerd, maar zijn wel relevant en interessant. Daarom volgt hierna meer informatie over deze rechtsgang, mede aan de hand van een voorbeeld.

De commissie van beroep

In het verleden werden veel geschillen in het primair en voortgezet onderwijs, maar ook in andere sectoren van het onderwijs, beslecht door een speciale beroepscommissie. Deze commissies waren door de sector zelf in het leven geroepen. Op dit moment worden bepaalde geschillen in het onderwijs nog steeds afgedaan door speciale beroepscommissies. Zo geldt er voor het primair en voortgezet onderwijs de zogenaamde ‘commissie van beroep funderend onderwijs’, gevestigd te Utrecht. De werknemer in het onderwijs kan voor deze rechtsgang kiezen, in plaats van een gang naar de rechter.

Waarover oordeelt de commissie?

Deze commissie van beroep is voor het voortgezet onderwijs gebaseerd op artikel 19 van de Cao voortgezet onderwijs (VO). De commissie oordeelt over besluiten ten aanzien van:

  • een disciplinaire maatregel,
  • schorsing,
  • het direct of indirect onthouden van promotie,
  • de aanwijzing van een andere instelling of andere instellingen waaraan de werknemer werkzaamheden zal verrichten,
  • een eenmalige inhouding van een periodieke verhoging.

Zijn de oordelen bindend?

De uitspraak van de commissie, waartegen geen hoger beroep mogelijk is, is bindend. Zo staat het letterlijk in de Cao VO. Volgens de toelichting bij artikel 19 Cao VO laat dit echter onverlet de mogelijkheid om het geschil alsnog voor te leggen aan de rechter. De rechtbank Den Haag heeft dit bevestigd in een uitspraak van 14 juni 2023 (ECLI:NL:RBDHA:2023:8181).

Dit laatste is anders voor het primair onderwijs. In de (toelichting bij de) Cao PO (artikel 12.1) staat althans niet dat het geschil alsnog kan worden voorgelegd aan de rechter. Dat kan wel als er ernstige gebreken kleven aan de totstandkoming van het bindend advies.

Waar is de procedure geregeld?

Voor de procedure bij de commissie van beroep geldt een reglement: het reglement van de landelijke commissie van beroep funderend onderwijs. Dit reglement geldt voor zowel het primair als het voortgezet onderwijs.

In het reglement staan vooral procedurele voorschriften. Zo staan er bepalingen in omtrent de behandeling ter zitting. Ook staat daarin de mogelijkheid om te verzoeken om een voorlopige voorziening: kort gezegd een voorziening die kan gelden gedurende de beroepsprocedure (zoals een schorsing van het bestreden besluit).

Uitspraken van de commissie worden gepubliceerd (https://www.onderwijsgeschillen.nl/). Het is zeer de moeite waard om naast de jurisprudentie van de civiele rechter (rechtbanken, gerechtshoven en Hoge Raad), ook van deze jurisprudentie kennis te nemen. Bijvoorbeeld van de zeer recente uitspraak van de commissie van beroep van 7 april 2026 (met nummer 129428). Ik ga daar nader op in.

Waar gaat deze zaak over?

Deze zaak betrof een beroep tegen een schorsing en een overplaatsing. De werkgever had deze maatregelen opgelegd, omdat het functioneren van de werknemer (een docente) als onvoldoende werd beschouwd.

In de procedure kwam allereerst de vraag aan de orde, of de werknemer wel belang had bij een uitspraak van de commissie. Daarover oordeelt de commissie dat het enkele feit dat de werknemer wilde weten of de schorsing al dan niet terecht was opgelegd, op zich al een voldoende belang was.

De commissie kwalificeert een vrijstelling van werkzaamheden als een schorsing. Bij de opgelegde vrijstelling van werkzaamheden waren immers geen andere passende taken opgedragen. De betreffende werknemer was überhaupt niet binnen de organisatie ingezet. Verder wijst de commissie erop dat de werkgever de werknemer in de gelegenheid had moeten stellen om haar zienswijze op de voorgenomen schorsing kenbaar te maken. In dit geval heeft de werkgever deze procedure, die in het belang van de werknemer is, ten onrechte niet in acht genomen.

Daarnaast ging de uitspraak over de overplaatsing van de docente. Ook wat dit betreft oordeelt de commissie dat de werkgever ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de belangen van de werknemer. Zo is uit het dossier niet gebleken dat er gesprekken hebben plaatsgevonden tussen de werknemer en de werkgever over de overplaatsing. De werkgever heeft wel een brief gestuurd, waarin staat dat de werknemer haar werkzaamheden en het verbeterplan moest gaan uitvoeren op een andere school. Maar dit is onvoldoende.

Hoe luidt de uitspraak?

Zowel het beroep tegen de schorsing als tegen de overplaatsing zijn door de commissie gegrond verklaard. Het is een kwestie met interessante formele en inhoudelijke aspecten. De les die eruit getrokken kan worden is dat het van groot belang is om de procedurele voorschriften nauwgezet in acht te nemen. Bovendien is bij het nemen van een besluit een gedegen belangenafweging noodzakelijk.

Al met al jurisprudentie om in het primair en voortgezet onderwijs rekening mee te houden. Hebt u vragen over arbeidsrechtelijke kwesties in het onderwijs? Bel ondergetekende dan wel uw vaste contactpersoon bij Capra Advocaten.

150 150 Joan
Vul hier uw zoekopdracht in