In het voorjaar van 2010 stapte ik van de provincie Fryslân over naar Capra Advocaten. Daar had ik allerlei verwachtingen van, waarmee ik de lezer nu niet te lang zal vermoeien, behalve dat Capra in mijn ogen stond voor zoiets als ‘gedegen & deskundig’, maar ook wel voor, dat durf ik nu wel te zeggen, ouderwets.
Wat er van die eerste twee punten zij, laat ik nu maar in het midden. Het vooroordeel van dat ouderwetse heb ik moeten bijstellen. In tweeënhalfjaar heb ik Capra Advocaten leren kennen als een vooruitstrevend kantoor, zeker op het gebied van digitalisering en ‘nieuwe media’. Het was ook niet zonder trots dat ik op het lustrumfeest van de Groningse studenten wielervereniging ‘G.S.W.V. Tandje Hoger’ op de door een ander oud-lid, dat zichzelf introduceerde als ‘internetondernemer’, geuite vooroordeel dat de advocatuur in digitale zin ver achter liep op de rest van de wereld, kon repliceren met een, wat in mijn geboorteprovincie heet, rabbelement over: state-of-the-art website, Twitter, Iphone, Ipad, Webinar en jawel zelfs een eigen App. Schijnbaar geïmponeerd zweeg de internetondernemer, en geloof mij als ik zeg: dat was pure winst.
Nochtans viel de beste man niets te verwijten, want vooroordelen rondom internet schijnen breed te leven. Niet zelden maken zij over wie dat vooroordeel de ronde doet daar overigens maar wat handig gebruik van. Ook binnen ons kantoor zijn daar voorbeelden van te vinden. Zodoende laat de ene advocaat, laten we zeggen van boven de 50, uitkeringsberekeningen maken door de andere advocaat, van laten we zeggen half zijn leeftijd, en spreekt deze eerstgenoemde advocaat tijdens presentaties wat laatdunkend over ‘lakens’, terwijl diezelfde advocaat de uithoeken van het internet afstruint op zoek naar wereldliteratuur en wereldmuziek die hij, geheel zelfstandig bovendien, via digitale weg aanschaft. Zie hier dat onkunde nog wel eens wordt voorgewend uit gemakzuchtige overwegingen.
Wat daar ook van zij, internet is hoe dan ook niet meer weg te denken uit de rechtspraktijk van Capra Advocaten. Al was het maar omdat het voorkomt dat een ambtenaar zijn eigen disfunctioneren of de verstoorde verhouding met zijn chef krachtig weet te staven met zijn eigen e-mailcorrespondentie. Onlangs kon een door een gewezen ambtenaar gestelde onwetendheid met een door haar getekende beëindigingsregeling (zij stelde onder druk van de directeur ‘blind’ getekend te hebben) ten overstaan van de rechtbank nog eenvoudig weerlegd worden door overlegging van de opgetogen afscheidse-mail die zij diezelfde dag nog zond aan haar collega’s.
Een weer heel ander gevolg van internet is dat klanten snel te weten komen wie ‘de mens’ is achter ‘de advocaat’ met wie zij van doen hebben. Zo vroeg een nieuwe klant mij ten tijde van de Olympische Spelen, kennelijk na lezing van het op onze website te lezen profiel (geschreven in de tijd dat een advocaat nog melding durfde te maken van betrokkenheid bij de wielerwereld), of ik ook zo genoten had van de overwinning van Marianne Vos. De advocaat krijgt daarmee ‘een gezicht’ en dat heeft voordelen. Het heeft ook nadelen, want dat verkleint de speelruimte van de advocaat. Zo maakt een profiel op de website het vrijwel onmogelijk om – bij wijze van willekeurig voorbeeld – een evident ervaringsverschil ten opzichte van een doorgewinterde raadsman van de wederpartij te compenseren door de zwaarst denkbare basstem op te zetten.
Het laatste nieuws van het digitaliseringsfront bij ons op kantoor is de beoogde transformatie naar papierloos werken. Het clichébeeld van de advocaat die, gezeten achter een bureau vol huizenhoge dossiers, met een markeerstift in de aanslag deze dossiers tracht te doorgronden, dreigt daarmee definitief verleden tijd te worden. Dat vind ik eerlijk gezegd wel spijtig en niet alleen uit nostalgische overwegingen, maar ook uit een – wat in horoscopen zou kunnen heten – ‘hang naar het tastbare’.
Misschien begrijpt u wat ik bedoel als ik zeg dat ik laatst op een familiefeestje suggereerde dat de ‘mondbeleving’ even belangrijk is als de smaak van de maaltijd. Iets soortgelijks geldt in mijn ogen voor dossiers. Ook die wil je kunnen voelen en, misschien belangrijker, kunnen ruiken.
Niettemin prijs ik mij gelukkig dat ik werkzaam ben bij een kantoor dat de boot van de digitalisering niet heeft gemist. Mits ik maar de ruimte houd om mijn eigen digitale dossiers vrolijk te printen. Zolang de rechtbanken van bestuursorganen blijven verlangen dat zij ‘alle op de zaak betrekking hebbende stukken’ inzenden, zit dat wel goed. Overigens zijn rechtbanken bezig met proeven met digitale procedures en in het vers van de pers gekomen regeerakkoord valt zelfs te lezen: “We gaan digitaal procederen in het bestuursrecht mogelijk maken”. De conservatief – jong of oud – zij gewaarschuwd!.