De Hoge Raad over de vrijheid van meningsuiting en de academische vrijheid

De Hoge Raad over de vrijheid van meningsuiting en de academische vrijheid

De Hoge Raad heeft zich op 11 juli 2025 uitgesproken over de bescherming van het recht op vrijheid van meningsuiting binnen de arbeidsverhouding (ECLI:NL:HR:2025:1140). Deze uitspraak geeft meer duidelijkheid over de mogelijkheden en grenzen van de vrijheid van meningsuiting, in het bijzonder in de academische context.

Waar gaat de zaak om?

De kwestie waar de Hoge Raad over oordeelde, gaat over een universitair docent die een kritisch essay gepubliceerd had. Hierin schrijft zij een aantal ‘mechanismes’ te hebben ondervonden, die in het nadeel werken van vrouwelijke academici. Zij voert aan dat het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst verband houdt met dit door haar gepubliceerde artikel en daarom dient te worden afgewezen op grond van bescherming van de vrijheid van meningsuiting en academische vrijheid.

De uitspraak doet denken aan een eerdere zaak over een werkneemster van een ROC, waarin de Hoge Raad oordeelde dat de verstoorde arbeidsrelatie wél samenhing met de publicatie van een boek, en het ontbindingsverzoek daarom een inmenging op het recht van vrijheid van meningsuiting is (zie ook capra.nl/ontslag-werkneemster-roc-na-publicatie-kritisch-boek). Het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst werd in die zaak afgewezen wegens een ongeoorloofde inbreuk op de vrijheid van meningsuiting (ECLI:NL:GHSHE:2023:3713). Hoe gaat het in de zaak van de universitair docent?

De overige feiten en omstandigheden

De universitair docent was sinds 2009 in dienst bij de betreffende universiteit. Toen zij in juni 2018 verzocht om promotie, oordeelde haar leidinggevende overwegend positief. Maar hij wilde de goedkeuring van een aantal tijdschriftartikelen afwachten. Werkneemster kon zich hier niet in vinden. Zij klaagde bij de afdeling HR dat de leidinggevende haar promotie onthield en stuurde een brief aan de decaan waarin zij de leidinggevende verweet willekeurige eisen te stellen en onware argumenten te gebruiken ten einde haar carrière te hinderen. Naar aanleiding van deze kwestie vonden er verschillende gesprekken plaats.

In juni 2019 is een essay van werkneemster gepubliceerd over regelingen voor gelijke kansen. Naast het nadeel dat zij als vrouwelijke academicus zou hebben ondervonden, stelde zij een gebrek aan begeleiding door hogere academici te ervaren en te worden buitengesloten door de ‘mannelijke academische elite’. Een hoogleraar, en tevens de nieuwe leidinggevende van werkneemster, schreef aan leden van de vakgroep dit essay ‘inappropiate and damaging’ te vinden.

In oktober 2019 vond er een gesprek plaats waarin is vastgesteld dat er sprake is van een vertrouwensbreuk tussen werkneemster en een deel van de vakgroep. Volgens werkneemster had dit vooral te maken met het niet nakomen van afspraken ten aanzien van de promotie; volgens vakgroepsleden omdat zij zich beschadigd voelen door het essay.

Naar aanleiding van het essay vond er een mediationtraject plaats. Ook een coachingstraject gericht op ‘soft skills’ werd in gang gezet, maar werkneemster weigerde hieraan deel te nemen. De universiteit verzocht uiteindelijk in december 2022, na ruim drieënhalf jaar sinds de publicatie, om ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens een verstoorde arbeidsverhouding. Werkneemster deed daarin een beroep op de vrijheid van meningsuiting en haar academische vrijheid.

De reikwijdte van het recht op vrijheid van meningsuiting

Om te beoordelen of er sprake is van een schending van het recht op vrijheid van meningsuiting, dient aan verschillende voorwaarden te worden voldaan. Ten eerste moet er sprake te zijn van een uiting die wordt beschermd door het grondrecht. Zowel het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:NL:GHARL:2024:152) als de Hoge Raad oordelen dat de publicatie van een essay onder het mede door art. 10 EVRM beschermde recht op vrijheid van meningsuiting valt.

Naast een beschermde meningsuiting dient er sprake te zijn van een inmenging op het recht. Met andere woorden, de vraag dient te worden beantwoord of de opgelegde maatregel door de werkgever een gevolg is van de publicatie van het essay. Een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst kan als maatregel worden aangemerkt. Bij de beoordeling van het causale verband dient rekening te worden gehouden met het geheel van gebeurtenissen vanaf de uiting tot aan het opleggen van de sanctie, in onderlinge samenhang bezien (EHRM 16 juni 2022, ECLI:CE:ECHR:2022:0616JUD003965018 (Zurek/Polen).

De Hoge Raad laat in deze zaak het oordeel van het hof in stand. Dit komt erop neer dat de publicatie van het essay géén essentiële schakel vormt binnen de gebeurtenissen die leidden tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Volgens het hof ligt de oorzaak voor de verstoorde arbeidsverhouding in het conflict omtrent de promotie van de docente, dat reeds vóór de publicatie van het essay is ontstaan. Daarmee wordt niet voldaan aan het hoofdzakelijkheidscriterium: de sanctie is niet uitsluitend of hoofdzakelijk het gevolg van de meningsuiting. Volgens de Hoge Raad geldt voor een beroep op academische vrijheid geen andere norm. Van een schending van de vrijheid van meningsuiting, inclusief de academische vrijheid, is dus geen sprake.

In dit geval is er geen sprake van een causaal verband, en dus geen schending van de vrijheid van meningsuiting. Als de Hoge Raad van oordeel zou zijn geweest dat dit wél het geval was, duidt dit niet direct op een schending van het recht. Als laatste stap dient namelijk nog beoordeeld te worden of de inmenging op de vrijheid van meningsuiting ontoelaatbaar is.

Bij de beoordeling van de toelaatbaarheid worden de zogenaamde ‘Herbai-criteria’ meegewogen: (1) de aard en het belang van de meningsuiting, (2) de motieven van de uiting, (3) de schade voor werkgever en (4) de zwaarte van de opgelegde sanctie (zie ook capra.nl/de-arbeidsrechtelijke-worsteling-met-diversiteit).  In een vervolguitspraak in de hiervoor genoemde ROC-zaak, gaat het hof in op het juridisch kader voor deze slotvraag (ECLI:NL:GHSHE:2023:3713).

Academische vrijheid

Wat deze uitspraak extra relevant maakt is het huidige debat omtrent academische vrijheid. Deze vrijheid ligt in het verlengde van de vrijheid van meningsuiting en ziet in de kern op het beschermen van het wetenschappelijk debat (ECLI:NL:PHR:2025:324, r.o. 4.39). Door het Europees Parlement is in 2022 geconcludeerd dat onder andere in Nederland sprake is van erosie van die vrijheid en dat de wettelijke bescherming laag is. Door de rectoren van de Nederlandse universiteiten is recent, namelijk op 30 mei 2025, een brief opgesteld waarin zij oproepen de academische vrijheid te beschermen en de dialoog hierover aan te gaan.

Met betrekking tot de uitspraak van de Hoge Raad van 11 juli 2025, kan de vraag worden gesteld naar de relatie tussen de academische vrijheid en de verstoorde arbeidsverhouding. Verwatert de discussie over de reikwijdte van die vrijheid niet te veel? Dat lijkt niet het geval. De rechter doorloopt immers verschillende stappen alvorens te oordelen of er sprake is van een inbreuk. Zo wordt bij de laatste stap het motief van de uitlating getoetst. Indien deze in belangrijke mate bijdraagt aan het wetenschappelijk debat, houdt de rechter hier rekening mee. Dat betekent niet dat de wetenschapper geen verantwoordelijkheid heeft. Zoals de rectoren het formuleren: academische vrijheid is geen carte blanche.

Conclusie

Het hiervoor besproken arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025 bevestigt dat het recht op vrijheid van meningsuiting en de academische vrijheid geen absolute bescherming bieden. Ondanks dat het recht de werknemer beschermt voor arbeidsrechtelijke sancties, heeft het beroep daarop enkel kans van slagen indien de ontbinding hoofdzakelijk of uitsluitend het gevolg is van de meningsuiting. Ook als dit het geval is, is het nog maar de vraag of geen ontbinding zal volgen. Dit is afhankelijk van het toepassen van de hiervoor genoemde Herbai-criteria.

Heeft u vragen over kwesties als deze? Bel ondergetekende of uw vaste sparringpartner bij Capra.

Mark van de Laar en Prescilla Reutelingsperger

150 150 Joan
Vul hier uw zoekopdracht in