De onzekere toekomst van de onderwijsmedewerker binnen het primair onderwijs

De onzekere toekomst van de onderwijsmedewerker binnen het primair onderwijs

Op 1 mei 2015 hebben de PO-Raad en de bonden gezamenlijk een brief gestuurd aan hun leden. De titel spreekt van een geruststellende “Nu geen nieuwe cao, maar wel enkele afspraken.” Verderop in de brief valt te lezen dat hoewel de cao op 22 december 2014 is opgezegd, de cao blijft doorlopen en schoolbesturen gebruik kunnen maken van het overgangsrecht in de Wet werk en zekerheid (Wwz) voor de ketenbepaling.

De geruststellende toon van de brief waarin wordt aangegeven dat hiermee rust en duidelijkheid wordt gegeven voor zowel de schoolbesturen als de medewerkers als gevolg van de veranderingen van de Wwz, kan ik niet delen. Deze brief zorgt juist voor het tegenovergestelde. De onderwijsmedewerker in het bijzonder onderwijs, en met name de tijdelijke medewerker, wordt met deze brief in een onzekere positie gebracht wat betreft de ketenbepaling.

Opzegging cao PO

In ieder geval zorgt de opzegging van de cao ervoor dat in principe de cao PO per 1 juli 2015 is afgelopen, maar indien het hernieuwde overleg na de opzegging niet leidt tot overeenstemming over een nieuwe cao, dan blijft de cao van kracht tot er wel een akkoord is, zie in dit kader artikel 1.6 van de cao PO. Het standpunt van de cao-partijen in de brief is dan ook duidelijk. Omdat de cao wel is opgezegd maar het overleg niet tot een nieuwe cao heeft geleid, blijft de huidige cao van kracht tot het moment dat er een nieuw cao is afgesloten. Volgens de cao-partijen heeft dat tot gevolg dat het overgangsrecht van de Wwz met betrekking tot de ketenbepaling van toepassing is.

Daar ligt nu juist het probleem. Het is niet de cao die bepalend is voor de vraag of er sprake is van overgangsrecht. De Wwz en het daarin opgenomen overgangsrecht is leidend. Het overgangsrecht houdt in dat de ‘oude’ ketenbepaling van toepassing blijft op de dag van inwerkingtreding van de ‘nieuwe’ ketenbepaling (dat is 1 juli 2015) indien er op dat moment een cao geldt, tot aan de expiratiedatum van de cao dan wel tot uiterlijk 1 juli 2016. De bedoeling van het overgangsrecht is om de werkgever en de werknemer (en ook de cao-partijen) de tijd te gunnen om zich voor te bereiden en aanpassingen te treffen zodat zij niet per 1 juli 2015 voor voldongen feiten komen te staan, zie in dit kader ook de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 33818, nr. 3. blz. 21).

Is het overgangsrecht Wwz van toepassing?

Uit het overgangsrecht maak ik op dat indien de cao voor 1 juli 2015 eindigt of dat er op 1 juli 2015 een nieuwe cao geldt, het overgangsrecht niet van toepassing is. Van een cao die een looptijd heeft tot en met 30 juni 2015 en is opgezegd is het de vraag of die nog doorloopt. Of beter gezegd: is door de opzegging conform artikel 1.6 van de cao PO de expiratiedatum van de cao opgeschoven tot 1 juli 2016, zodat het overgangsrecht van toepassing is? Ik denk het niet. Ik zou willen betogen dat de opzegging tot gevolg heeft dat de cao op 1 juli 2015 geëxpireerd is en dat de cao(opnieuw) voor een jaar is gaan gelden. Wordt deze redenering gevolgd dan is het overgangsrecht niet van toepassing.

Toch een nieuwe cao PO per 1 juli 2015?

Een aanknopingspunt hiervoor leid ik ook af uit het feit dat uit de brief van 1 mei 2015 blijkt dat er ook nieuwe afspraken zijn gemaakt, zoals een loonsverhoging en de nieuwe afvloeiingsregeling. De cao PO 2014-2015, geldend op 30 juni 2015 is dus niet precies dezelfde als de cao PO op 1 juli 2015. Aan de hand van deze wijziging kun je stellen dat er wel sprake is van een ‘nieuwe’ cao PO op 1 juli 2015. Met nieuw bedoel ik niet nieuw in de zin van de Wet cao maar nieuw omdat de cao PO na 1 juli 2015 gewijzigd.

Onzekere situatie voor bijzonder onderwijs

Het openbaar onderwijs heeft geen ‘last’ van de gevolgen van de Wwz en kan de ketenregeling zoals opgenomen in de cao PO volgen. Na 1 juli 2015 ontstaat naar mijn mening wel een onzekere situatie in het bijzonder onderwijs omdat niet duidelijk is welke ketenregeling van toepassing is. Deze onzekere situatie speelt met name bij de tijdelijke medewerker. Indien het overgangsrecht niet van toepassing is, kan er geen onbeperkt aantal tijdelijke arbeidsovereenkomsten worden gesloten. De ketenbepaling die op basis van de Wwz vanaf 1 juli 2015 geldt, stelt een maximum van drie tijdelijke arbeidsovereenkomsten. Een vierde tijdelijke overeenkomst heeft tot gevolg dat er sprake is van een vast dienstverband.

Het zal aan de rechtspraak zijn om duidelijkheid op dit punt te verschaffen. Een goed middel hiervoor is het stellen van een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad. De Hoge Raad kan via deze weg zich direct uitlaten over deze kwestie waarmee rechtszekerheid over dit onderwerp gegeven kan worden. Of wellicht komen de cao-partijen terug op hun geruststellende brief en wordt er alsnog een cao-akkoord gesloten. Enkel daarmee zal alle onduidelijkheid weggenomen kunnen worden. Tot die tijd is er sprake van een onzekere toekomst voor de onderwijsmedewerker in het bijzonder onderwijs.

Voor vragen over dit artikel kunt u contact opnemen met advocaten van de Praktijkgroep Onderwijs.

.

150 150 Joan
Vul hier uw zoekopdracht in