Van oudsher hebben artsen een beroepsgeheim. Het beroepsgeheim dient zowel het collectieve belang van de maatschappij als het individuele belang van de patiënt. Het algemeen belang van de zwijgplicht bestaat eruit, dat iedereen zich vrijelijk voor hulp en bijstand tot een arts moet kunnen wenden, wat bijdraagt aan ‘het gelijke recht op gezondheidzorg’ voor iedereen. Het individuele belang bestaat eruit dat een patiënt weet dat de informatie die hij aan zijn arts verschaft niet zonder zijn toestemming voor andere doeleinden wordt gebruikt of aan derden wordt verstrekt. De patiënt weet derhalve dat hij volledige openheid kan betrachten jegens zijn arts.
Onlangs viel mijn oog op een opvallende uitspraak van het Hof Amsterdam van 16 februari 2016 (ECLI:NL:GHAMS:2016:) over het beroepsgeheim van de bedrijfsarts. Mede hierdoor rijst bij mij de vraag: is het medisch beroepsgeheim nog wel van deze tijd?
Hof Amsterdam 16 februari 2016
In deze zaak ging het om een werkneemster die vanaf 2006 in dienst was bij de werkgever. De werkneemster heeft zich tot oktober 2010 regelmatig ziek gemeld. Vanaf 19 oktober 2010 is zij ziek gebleven tot 3 december 2012, op welke datum de arbeidsovereenkomst is geëindigd. Naar aanleiding van een verzuimgesprek op 1 december 2010 met de bij de arbodienst werkzame bedrijfsarts, heeft de bedrijfsarts aan de werkgever gerapporteerd dat er geen verleden was van arbeidsongeschiktheid en dat er geen bijzondere wettelijke regelingen golden. De werkgever heeft gedurende alle ziekteperiodes van de werkneemster het loon doorbetaald. Echter, in november 2012 is de werkgever ervan op de hoogte geraakt dat de werkneemster ten tijde van haar indiensttreding een WAO-verleden had.
Op basis hiervan meent de werkgever dat de arbodienst haar verkeerd heeft geïnformeerd. Zou de arbodienst de werkgever juist hebben ingelicht dan had de werkgever gebruik kunnen maken van de in artikel 29b Ziektewet neergelegde regeling. Deze regeling voorziet in de mogelijkheid dat werkgevers de loondoorbetalingsverplichting van arbeidsgehandicapte werknemers op het UWV kunnen afwentelen. De arbodienst verweert zich door aan te voeren dat er geen rechtsgrond bestaat die verplicht om bij een werknemer navraag te doen naar een eventueel WAO-verleden. Informatie dienaangaande valt bovendien onder het beroepsgeheim van haar bedrijfsarts, aldus de arbodienst.
Het Hof oordeelt dat de nu de arbodienst op een eigen formulier de vraag heeft opgenomen over onder meer het WAO-verleden en deze vraag ook door de bedrijfsarts was beantwoord, de werkgever ervan uit mocht gaan dat dit antwoord door de bedrijfsarts naar beste weten was gegeven. Als de arbodienst mocht hebben gemeend dat het beroepsgeheim van de bedrijfsarts in de weg staat aan het verstrekken van deze informatie, valt niet in te zien waarom zij de bewuste vraag op het formulier heeft opgenomen. Nu vaststaat dat de werknemer een WAO-verleden heeft en dat de rapportage van de bedrijfsarts niet overeenkomt met de werkelijkheid, krijgt de arbodienst van het Hof de kans om te bewijzen dat de rapportage van de bedrijfsarts correspondeert met de informatie waarover hij op dat moment beschikte.
Voor het geval de bedrijfsarts als getuige wordt voortgebracht en zij zich op een op haar rustende geheimhoudingsplicht mocht beroepen, overweegt het Hof dat dit beroep zal worden verworpen. Het Hof wijst hierbij op de Memorie van Toelichting bij het Wetsvoorstel Invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Kamerstukken 30 118,3). Hierin is opgemerkt dat in de praktijk de arbodienst doorgaans ‘faciliterend’ zal optreden bij het stellen van de vraag aan de werknemer aangaande zijn mogelijke aanspraak op ziekengeld op grond van artikel 29b Ziektewet en dat de arbodienst deze vraag namens de werkgever zal stellen. Hiermee verdraagt zich volgens het Hof niet een beroep op een op de bedrijfsarts rustende geheimhoudingsplicht. Bovendien gaat het om een vraag over een financiële aanspraak, en niet om medische informatie. Tenslotte merkt het Hof op dat het overigens niet goed voorspelbaar is dat informatie die de werkgever aan de werknemer mag vragen, onder het beroepsgeheim van een bedrijfsarts zou vallen.
Kortom: de bedrijfsarts moet naar het WAO-verleden van een werknemer vragen en de werkgever hierover informeren. Het beroepsgeheim staat daaraan niet in de weg. Hoe ver reikt dan het beroepsgeheim van de bedrijfsarts?
Inhoud beroepsgeheim
De geheimhouding van de medisch beroepsbeoefenaar is geregeld in artikel 457 Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 88 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG). In het algemeen geldt dat de bedrijfsarts alleen gerichte informatie c.q. advies aan de werkgever mag verstrekken over:
– de werkzaamheden waartoe de werknemer wel of niet meer in staat is;
– de verwachte duur van het verzuim;
– de mate waarin de werknemer arbeidsongeschikt is;
– eventuele aanpassingen of werkvoorzieningen die de werkgever in het kader van de re-integratie moet treffen.
Het beroepsgeheim kan eigenlijk slechts in de volgende drie situaties worden doorbroken:
1. toestemming van de patiënt;
2. een wettelijke plicht tot spreken (Wet op de lijkbezorging en Wet publieke gezondheid);
3. een conflict van plichten, dat wil zeggen dat met het vrijgeven van informatie ernstige schade voor de patiënt of anderen kan worden voorkomen.
Beroepsgeheim nog van deze tijd?
Het beroepsgeheim lijkt echter onder druk te staan. De geluiden worden steeds sterker om een versoepeling mogelijk te maken. Zo pleitte in februari 2012 de (voormalige) minister Opstelten van Justitie ervoor dat artsen in uitzonderingsgevallen soepeler omgaan met hun medische beroepsgeheim. Bij zaken met een grote impact op de rechtsorde is het ‘onacceptabel’ als de geheimhoudingplicht strafrechtelijk onderzoek ernstig belemmert. Opstelten zei het medisch beroepsgeheim op waarde te schatten, maar niet te behoren tot degenen die vinden dat het ‘in beton is gegoten.’
Ook algemeen directeur KNMG, de heer L. Wigersma, stelt in zijn column in het Federatienieuws van 9 oktober 2014 de vraag of het beroepsgeheim nog wel van deze tijd is. Enerzijds geeft hij aan dat het beroepsgeheim van zo grote waarde is dat artsen er pal voor moeten staan. Anderzijds is het beroepsgeheim volgens hem niet absoluut en zijn er omstandigheden waarin het beroepsgeheim kan en mag worden doorbroken.
Sanctie schending beroepsgeheim
Volgens artikel 272 van het Wetboek van Strafrecht is op een ongeoorloofde doorbreking van het beroepsgeheim, een gevangenisstraf voor ten hoogste 1 jaar of een geldboete tot maximaal € 20.000,– gesteld. In Nederland hebben er echter nauwelijks strafrechtelijke veroordelingen plaatsgevonden voor schending van het beroepsgeheim. Wel bevat de tuchtrechtspraak diverse voorbeelden. De tuchtrechter oordeelt namelijk streng.
Concluderend
Het dilemma is duidelijk. Het beroepsgeheim maakt enerzijds dat de individuele patiënt erop moet kunnen vertrouwen dat wat hij de arts vertelt, vertrouwelijk blijft. Deze vertrouwensband is essentieel. In die zin is het van belang dat het beroepsgeheim niet (verder) onder druk wordt gezet. Anderzijds kan het echter niet zo zijn dat (bedrijfs)artsen onder verwijzing naar het beroepsgeheim, belangrijke informatie over bijvoorbeeld een WAO-verleden van een werknemer, achter houden waardoor een derde (werkgever) schade kan lijden. De hiervoor besproken uitspraak van het Hof Amsterdam maakt zulks duidelijk.
Esther van Gaal
.