Het PDI in het primair onderwijs: op zoek naar de juiste balans

Het PDI in het primair onderwijs: op zoek naar de juiste balans

Sinds 1 oktober 2024 staan in de cao primair onderwijs nieuwe bepalingen over ‘professionalisering en duurzame inzetbaarheid’ (PDI). De voorheen bestaande budgetten voor duurzame inzetbaarheid (40 uur) en professionalisering (83 uur en € 500,-) zijn samengevoegd en de bestedingsdoelen zijn verbreed. In het cao-akkoord in 2024 werd geschreven: “Werknemers hebben hierdoor meer ruimte in het bepalen van de activiteiten waar de uren en het budget aan kunnen worden besteed, met als doel hun professionele autonomie te vergroten.”

Hoewel de bepalingen nu al enige tijd gelden, leveren die in de praktijk nog steeds de nodige vragen op. Kunnen de medewerkers helemaal zelf bepalen hoe die uren ingezet worden ? Is het waar dat een medewerker in tijd van de baas in het bos kan gaan lopen? Heeft de werkgever daarover ook nog wat te zeggen ?

Wat staat er in de cao?

In artikel 9.4 staan de regels over het PDI. Ik licht er een paar dingen uit.

  • Volgens lid 1 maken werkgever en werknemer jaarlijks samen afspraken over het PDI. Die afspraken moeten aansluiten bij de individuele behoefte van de werknemer.
  • Volgens lid 2 bepaalt de werknemer, na overleg met de leidinggevende, hoe het PDI-budget wordt ingezet.
  • Het PDI moet passen bij één van de bestedingsdoelen die in artikel 9.4, lid 5 staan. Het meest spraakmakende doel is: “activiteiten die helpen om ook op langere termijn het werk goed, gezond en met plezier te blijven doen”.
  • Volgens lid 6 bepalen werkgever en werknemer in overleg het tijdstip waarop de uren worden benut.

Bij de cao is ook een toelichting te vinden en van belang is dat daarin staat: “De bestedingsdoelen voor het PDI-budget zijn ruim geformuleerd” en ook: “Dit betekent dat de in lid 5 geformuleerde bestedingsdoelen niet limitatief zijn bedoeld, maar dat daaronder alle activiteiten kunnen vallen die bijdragen aan professionalisering en duurzame inzetbaarheid.”

Activiteiten die helpen om gezond en fit te blijven

Het PDI mag ingezet worden activiteiten die helpen om ook op langere termijn het werk goed, gezond en met plezier te blijven doen. Dat is een nogal vaag begrip en daarom ontstaat daarover regelmatig discussie. Niet alleen in het gesprek tussen de leidinggevende en de medewerker speelt dit een rol;ook belangenorganisaties schrijven verschillende dingen daarover. Op de website van het AOB is bijvoorbeeld een artikel te vinden waar als een goed voorbeeld wordt genoemd dat een docent de PDI uren gebruikt om te gaan wandelen/hardlopen in het bos. Op de site van ‘RAP’ wordt daar een stuk minder enthousiast over geschreven: “Wij denken bijvoorbeeld dat sporten mag, maar overweeg dit in uren te begrenzen. Komt 123 uur sporten de duurzame inzetbaarheid nu echt ten goede?” De PO Raad is echter minder terughoudend en schrijft: “Er zullen dan ook werknemers zijn die keuzes maken die leidinggevenden niet direct op hun eigen lijstje hebben staan. Dat kan soms best lastig zijn, maar we vinden het belangrijk om dit vertrouwen centraal te stellen.”

Deze diverse toelichtingen illustreren dat er nog de nodige discussie plaatsvindt over de inzet van het PDI, en met name de inzet van PDI-uren voor bijvoorbeeld sporten en hobby’s. Uit de praktijk blijkt dat individuele schoolleiders en leidinggevenden daar nog wel eens moeite mee hebben maar ik denk dat de PO-raad wat dat betreft een reëel standpunt inneemt.

Wie beslist er nu eigenlijk?

Dat er regelmatig discussies zijn over de inzet van met name de PDI-uren, wordt niet alleen veroorzaakt door de ‘ruime’ (anders gezegd: ‘vage’) omschrijving van de bestedingsdoelen maar ook door de vraag wie er nu uiteindelijk beslist over de inzet van het PDI-budget. Aan de ene kant is duidelijk dat de werknemer het bepaalt volgens art. 9.4, lid 2, maar tegelijkertijd moet de werknemer dit wel eerst met de leidinggevende overleggen en moeten er ook ‘afspraken’ over worden gemaakt. Een leidinggevende verzuchtte: ‘wat er nog af valt te spreken, als de werknemer het toch zelf mag bepalen’?.

Ik denk dat het gesprek tussen medewerker en leidinggevende op hoofdlijnen over twee onderwerpen moet gaan. In de eerste plaats is de vraag of het bestedingsdoel dat de werknemer in gedachten heeft past binnen de PDI-doelen. Als dat volgens de leidinggevende niet zo is, zou die eventueel kunnen overwegen het doel niet toe te staan maar door ruime formulering zal de werknemer al snel ‘het voordeel van de twijfel’ gegund moeten worden. Meer te zeggen heeft de leidinggevende over de vraag op welk tijdstip de PDI-uren worden benut. Duidelijk is dat het zal moeten gaan om uren die vallen binnen de jaartaak, anders zou de medewerker de uren ‘in eigen tijd’ besteden en dat is natuurlijk niet de bedoeling. Belangrijker is dat bepaald zal moeten worden op welk moment de uren ingezet worden en hoe dat zich dus verhoudt tot de andere uren van de jaartaak. Op welke uren wordt ‘bezuinigd’ door de inzet van de PDI-uren? Daar kan en mag de leidinggevende wel een bepalende rol in spelen.

Zowel over het bestedingsdoel als over het moment waarop de PDI-uren worden ingezet moeten de leidinggevende en de medewerker dus overleggen. Op grond van de cao-tekst concludeer ik dat over het bestedingsdoel de werknemer het laatste woord heeft, terwijl de leidinggevende over het tijdstip van inzet de knoop door mag hakken.
Zo is er toch een zeker evenwicht.

Graag denkt Capra mee als er vragen zijn over het vinden van een goede balans bij de inzet van het PDI-budget.

Marien Korevaar

150 150 Joan
Vul hier uw zoekopdracht in