In deze selectie van arbeidsrechtelijke jurisprudentie voor de overheid bespreken we weer diverse rechterlijke uitspraken.
1. Ontbinding arbeidsovereenkomst en academische vrijheid (art. 10 EVRM)
In deze zaak staat de verhouding tussen ontslagrecht en de vrijheid van meningsuiting (art. 10 EVRM), inclusief academische vrijheid, centraal. De werkneemster, voorheen werkzaam bij de RU Groningen, stelde dat de ontbinding van haar arbeidsovereenkomst onrechtmatig ingreep in haar uitingsvrijheid vanwege de samenhang met een door haar gepubliceerd essay. Het hof bekrachtigde de ontbinding wegens verstoorde verhoudingen. In cassatie voert de werkneemster aan dat het hof het EVRM-kader heeft miskend: het zou ten onrechte een condicio sine qua non-verband hebben verlangd tussen de uiting en het ontbindingsverzoek door het essay als ‘essentiële schakel’ te kwalificeren; bovendien zou het hof de context van academische vrijheid hebben veronachtzaamd, evenals het feit dat reacties van leidinggevenden op de uiting op zichzelf een inbreuk kunnen vormen. De HR constateert dat het hof geen onjuiste maatstaf heeft gehanteerd door er van uit te gaan dat de oorzaak van de verstoorde arbeidsrelatie al gelegen is vóór de publicatie. De zaak onderstreept voor onderwijs- en kennisinstellingen dat arbeidsrechtelijke maatregelen tegen uitingen van medewerkers zorgvuldig langs de EVRM-maatstaf moeten worden gelegd, waarbij causaliteit, proportionaliteit en de specifieke academische context expliciet moeten worden gewogen.
Hoge Raad 11 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1140)
2. Ernstig verwijtbaar handelen bij re-integratie, billijke vergoeding
Een werkneemster viel uit wegens arbeidsongeschiktheid. Bij herstel weigerde de werkgever haar terugkeer in de eigen functie, omdat intussen een vervanger was aangenomen. De werkneemster raakte opnieuw arbeidsongeschikt; na twee jaar heeft de werkgever de arbeidsovereenkomst opgezegd (met toestemming van het UWV). Het hof oordeelde dat deze gang van zaken aan de werkgever is te wijten en kwalificeerde het handelen als ernstig verwijtbaar. De weigering om de werknemer terug te laten keren, enkel vanwege het behouden van een vervanger, schendt de verplichtingen rond re-integratie, passend werk en het wegnemen van belemmeringen. In het verlengde daarvan kan een latere opzegging niet los worden gezien van het eerdere falen in de re-integratie. Het hof kent de werkneemster een billijke vergoeding toe. Voor overheidswerkgevers benadrukt deze uitspraak dat organisatorische keuzes (zoals in dit geval het vasthouden aan een vervanger) niet mogen prevaleren boven de re-integratieplicht, en dat nalatigheid in aspecten als begeleiding, plaatsing en terugkeer in eigen functie kan leiden tot de kwalificatie van ernstige verwijtbaarheid, met daaraan te verbinden financiële consequenties.
Gerechtshof Den Haag 12 augustus 2025 (ECLI:NL:GHDHA:2025:1586)
3. Ontslag op staande voet tijdens ziekte wegens werken elders
De zaak betreft een werknemer die arbeidsongeschikt was gemeld, maar desondanks elders in een volledig andere functie werkte op basis van een min maxcontract. Het hof beoordeelt het ontslag op staande voet. Kernpunten zijn de vraag of het werken elders tijdens eigen arbeidsongeschiktheid een dringende reden oplevert, in hoeverre dit het vertrouwen in de arbeidsrelatie schaadt, en of de werknemer hiermee re-integratieverplichtingen frustreert. Relevante factoren zijn de aard en zwaarte van de verweten gedraging, transparantie richting de eigen werkgever, eventuele medische onderbouwing van belastbaarheid in de andere functie, en proportionaliteit van de maatregel ten opzichte van alternatieven (zoals waarschuwing of schorsing). Ook spelen de onderzoeksplicht van de werkgever en hoor en wederhoor een rol bij de beoordeling of het ontslag zorgvuldig tot stand kwam. Het Hof oordeelt dat er geen sprake was van een dringende reden, omdat onvoldoende is komen vast te staan dat er een verband is tussen het trage herstel van werkneemster en de nevenwerkzaamheden. Geen ontslag op staande voet, wel verwijtbaar handelen van de werknemer.
Gerechtshof Den Haag 30 september 2025 (ECLI:NL:GHDHA:2025:1934)
4. SW-ers, Chroom-6 en stelplicht
De Hoge Raad past art. 81 lid 1 RO toe in een zaak over aansprakelijkheid voor gezondheidsschade door blootstelling aan chroom 6 Het betroffen SW-medewerkers die deel hebben genomen aan een re-integratietraject van de gemeente Tilburg tussen 2004 en 2010 en die zijn ingezet bij het Spoorwegmuseum. Centraal staat de stelplicht: welke concrete feiten moeten worden gesteld om een voldoende onderbouwde grondslag voor aansprakelijkheid aan te nemen, met name ten aanzien van blootstelling, normschending, causaliteit en schade. Door toepassing van art. 81 lid 1 RO volgt geen inhoudelijke motivering; daarmee blijft het oordeel van het Hof in stand. In de conclusie van AG Hartlief is een goed overzicht opgenomen van de aansprakelijkheidsspelregels bij beroepsziekten. Deze uitkomst benadrukt het belang van een gedetailleerde en consistente feitelijke onderbouwing bij gezondheidsclaims tegen (overheids)werkgevers: werknemers zullen specifiek moeten stellen waar, wanneer en hoe is blootgesteld, welke veiligheidsnormen zijn geschonden, en hoe de medische klachten causaal samenhangen met die blootstelling. Werkgevers doen er op hun beurt goed aan om preventie- en registratiebeleid rond gevaarlijke stoffen aantoonbaar op orde te hebben, inclusief documentatie over voorlichting, PBM’s en toezicht.
Hoge Raad 12 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1260)
5. Groepsaansprakelijkheid ex-ambtenaar; geen klokkenluidersbenadeling
Het gaat hier om een tussenarrest van het Hof, waarin niet alleen groepsaansprakelijkheid (art. 6:166 BW) wordt behandeld, maar ook de reikwijdte van de Wet bescherming klokkenluiders (art. 17eb). Een ex ambtenaar wordt aansprakelijk geacht voor schade van de gemeente die het gevolg is van een mede door hem opgezette constructie om de gemeente te benadelen. Het hof oordeelt dat geen sprake is van ‘benadeling’ in de zin van de klokkenluiderswet: de gedragingen vallen buiten de beschermde sfeer van melden en bescherming tegen nadelige maatregelen, omdat zij juist bijdragen aan de benadeling van de organisatie. Als aangetoond wordt/is dat de Gemeente door frauduleus handelen van de werknemer schade heeft geleden, hoeft zij volgens het Hof verder niet te bewijzen dat het aanspannen van de civiele (en strafrechtelijke procedure) niet is ingegeven door de klokkenluidersmeldingen van de werknemer.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 19 augustus 2025 (ECLI:NL:GHARL:2025:5125)

