Leven als een kat (ervaringen van een thuiswerker)

Leven als een kat (ervaringen van een thuiswerker)

We moesten en zouden een kat krijgen. Ik heb mij als de man des huizes krachtig verzet tegen deze wens van de vrouw des huizes. Daarbij hanteerde ik argumenten die vielen te herleiden tot het welzijn van het beestje en de hygiëne van de woning. Wij wonen namelijk in een appartement, met een wel erg bescheiden balkon, en als plattelandsjongen vind ik dat een kat naar buiten moet kunnen op zoek naar de bloemetjes en de bijtjes. Verder vind ik dat een kat stinkt. Bij het horen van het woord kattenbak moet ik steeds denken aan een anekdote van Youp van ’t Hek. Die vertelt dan dat, als hij bij mensen met een kat op bezoek is en er staat een korrelbak op het toilet, hij steeds de neiging heeft zelf op die bak plaats te nemen.

De vrouw des huizes bracht tegen mijn bezwaren in dat er tegenwoordig kattenkorrels bestaan met geur absorberend vermogen en dat literatuuronderzoek heeft uitgewezen dat ook de “binnenkat” een hoge graad van levensgeluk kan bereiken. Nadat ik haar duidelijk maakte dat verhuizen er zeker niet in zat, laat staan verhuizen vanwege het welzijn van een kat, verzekerde zij mij dat een tuin zeker geen vereiste was. Ik hield echter mijn rug recht en nam het ferme standpunt in dat er geen kat in huis kwam. Enfin, lang verhaal kort (mannelijke lezers voelen het misschien al aankomen), na een campagne van enige weken (bestaand uit diverse technieken variërend van subtiele manipulatie tot ware terreur) ben ik uiteindelijk gezwicht.

Nu hebben we dus een kat. Dat bevalt ook mij gek genoeg erg goed. Ik geloof bovendien dat ook de kat blij is met ons. Hij toont zich in elk geval zeer verheugd als wij thuiskomen en maakt daarentegen een erg bedroefde indruk als wij weggaan. Het geval wil dat ik de eerste weken na komst van de kat erg intensief heb mogen meemaken. Dit niet dankzij een speciaal voor dit soort situaties in het leven geroepen vorm van bijzonder verlof (zover hebben Marianne Thieme en de haren het nog niet geschopt), maar dankzij eerst een fysiek ongemak en vervolgens de verbouwing van de Zwolse Capra-vestiging. Hierdoor had ik het voorrecht enige weken vanuit huis te mogen werken.

Als thuiswerker had ik, naast – uiteraard – de drukke werkzaamheden van mijn praktijk, de gelegenheid het leven van een kat te bestuderen. Nu moet daarbij gezegd dat Balou, want zo heet de kater in kwestie, toentertijd slechts enige maanden oud was en dus gezegend met een gezonde portie jeugdige overmoed. Uit het leven van mijn nieuwe vriend vallen nuttige lessen te trekken. Allereerst valt op dat de kat niet uitslaapt. Hij is elke dag vroeg uit de veren. Verder valt op dat de kat niet talmt met het nuttigen van zijn ontbijt. Op een drafje holt hij naar zijn etensbakken en eet gulzig maar met mate. Vervolgens blijkt dat de kat geen last heeft van een ochtendhumeur en ook geen tijd nodig heeft om warm te draaien. Meteen na het ontbijt gaat hij op avontuur en dat doet hij met overtuiging en vol passie. De denkbeeldige muizen van ons appartement zijn hun leven dan niet zeker. Daarna – we spreken dan van hoogstens twee uren later – heeft de kat weer honger en is hij moe. Hij gaat dan eten en vervolgens liggen om te slapen, totdat hij weer wakker wordt. Een wekker komt hieraan trouwens niet te pas, want als de natuur ergens respect voor heeft dan is het de slaap. Hierop herhaalt het patroon van wakker worden, eten, spelen, eten slapen zich, totdat de dag voorbij is. Dan gaat de kat naar bed, niet te laat, niet te vroeg, om de volgende dag opnieuw zijn matineuze ijver aan de dag te leggen.

Uit dit levensritme van afwisselend ontspanning en spanning maak ik op dat de werkdag van de gemiddelde Nederlander (als homo sapiens sterk verwant aan de felidae, de familie der katachtigen) met een kantoorbaan tegennatuurlijk is. Deze heeft zichzelf in een keurslijf laten drukken dat – als men niet oppast – langzaam maar zeker alle energie uit lijf en geest wringt. Dit keurslijf bestaat uit de verplichting vroeg op te staan met behulp van een wekker (terwijl men nog niet is uitgeslapen) om zichzelf vervolgens, zonder de cruciale maaltijd van het ontbijt te genieten, naar de werkgever te spoeden, daarbij liefst de nodige reistijd overbruggend, met alle frustraties van dien. Daar aangekomen moet er aan een stuk door gewerkt worden. De pauzes gaan op aan verplicht samenzijn met collega’s of anderszins werk gerelateerde aangelegenheden. Tijd voor echte rust en ontspanning is er daarbij niet. Is de medewerker na de pauze eigenlijk te moe om zijn ogen open te houden, dan gaat hij niet slapen – zoals Balou zou doen – maar veinst hij aan het werk te zijn om nooit meer echt lekker in gang te schieten.

Het gevolg van dit alles is een toenemend percentage werknemers dat lijdt aan psychische klachten met uitval en bijkomende kosten als gevolg. Dat is natuurlijk bijzonder spijtig, want een en ander zou vrij eenvoudig voorkomen kunnen worden door net als onze kat inspanning en ontspanning op natuurlijke wijze af te laten wisselen.

Nu vraag men zich af waarom mensen zich in dit keurslijf laten drukken. Het antwoord is simpel: vanwege de omgeving. De baas, de collega’s en de partner verwachten dat de medewerker voldoet aan het standaardpatroon van de kantoormens. Het is verdraaid moeilijk niet onder de druk van die verwachting te bezwijken. Als ik naar mijzelf kijk, bijvoorbeeld, dan bedenk ik me wel twee keer voordat ik mij op het werk aan de lunchdip toegeef door eens een stevig uiltje te knappen, hoewel ik bijna zeker weet dat ik na een dutje een ongekende werklust aan de dag zou leggen. Als ik elke dag een uurtje in mijn bureaustoel zou liggen te ronken zou dat mijn carrière vermoedelijk geen goed doen. Het moge duidelijk zijn dat ik een negatieve beïnvloeding van het loopbaanperspectief niet kan gebruiken. Zeker nu niet, want er staat een verhuizing op stapel. Het appartement in de flat volstaat niet langer. Balou is namelijk zo zielig zonder tuin.
Gerdin Boelens.

150 150 Joan
Vul hier uw zoekopdracht in