Op 24 september 2014 is er een akkoord gesloten tussen werkgeversverenigingen en werknemersorganisaties over de collectieve arbeidsovereenkomst voor de verpleeg- en verzorgingstehuizen en thuiszorg (vvt).
In februari van dit jaar heeft Rianne Dreuning een artikel geschreven over de toenmalige stand van zaken met betrekking tot de onderhandelingen over de cao vvt. Op dat moment was er sprake van een enorme onzekerheid, temeer omdat er sprake was van twee onderhandelaarsakkoorden. Indien de leden instemmen met het akkoord van 24 september 2014 lijkt de onzekerheid voorbij te zijn.
Wij zullen hierna vier onderwerpen uit het recente akkoord nader bespreken, namelijk:
1. werktijden;
2. nuluren- en min-maxcontracten;
3. Wmo;
4. wachtgeld, transitievergoeding en derde WW-jaar.
Ad 1. Werktijden cao vvt
De procesgang over de werktijden wordt gewijzigd: gezond roosteren en de relatie tussen de cliënt en de medewerker staan voorop. De cao vvt gaat kaders bieden waarbinnen de werktijden kunnen worden bepaald (maatwerk). Iedere organisatie zal, in samenwerking met de ondernemingsraad, een nieuwe werktijdenregeling overeen moeten komen die past binnen die specifieke organisatie of branche. De medewerker moet hier een grote invloed in gaan hebben.
Doorgeslagen flexwerken moet volgens de cao-partijen worden teruggedrongen. Er moet een gezond evenwicht worden gevonden tussen de kwaliteit van de zorgverlening en de belangen van de medewerker. Een aandachtspunt daarbij is dat vaak sprake is van duurzame binding tussen de cliënt en de medewerker. Om een goede balans te behouden treedt de werkgever minimaal een maal per jaar in overleg met het medezeggenschapsorgaan.
Cao-partijen zullen gedurende de looptijd van de cao een gezamenlijke voorlichtingscampagne starten hoe werkgevers en medewerkers in staat gesteld kunnen worden dit proces te volbrengen. De invoeringstermijn is twee jaar.
Ad 2. Nulurencontracten cao vvt
De werkgevers die onder de reikwijdte van de cao vvt vallen, zullen in beginsel geen nulurencontracten meer hanteren, tenzij dit in ‘uitzonderlijke situaties’ gerechtvaardigd is. Van een uitzonderlijke situatie is sprake bij:
– opvang van een onvoorziene en onplanbare cliënt of
– opvang van onvoorziene en onplanbare uitval van personeel
die niet door in dienst zijnde medewerkers kan worden geleverd of alleen door onevenredige aantasting van geplande roosters mogelijk is.
De werkgever mag geen gebruik maken van een zogenaamde voorovereenkomst wegens de onevenredig grote contractsonzekerheid die dit veroorzaakt bij de werknemer.
Als de werknemer werkt op basis van een nulurencontract, dan ontvangt hij, vanaf 1 juli 2014 maar uiterlijk 31 december 2014 van de werkgever een aanbod voor een contract met een concrete gemiddelde arbeidsduur. Ook ten aanzien van min-max-contracten hebben caopartijen dergelijke afspraken gemaakt. De maximum arbeidsduur bedraagt verder – hooguit – anderhalf maal de minimum arbeidsduur.
Ad 3. Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo)
De cao-afspraken over de Wmo 2015 bestaan uit de volgende onderdelen:
1. Voorstel minimumsalaris voor de hulp bij het huishouden
Het inkoopbeleid van gemeenten resulteert volgens de contractspartijen in grote druk op de werkgelegenheid en arbeidsvoorwaarden van de werknemers in de hulp bij het huishouden. cao-partijen constateren dat er binnen dit deel van de vvt-sector een ernstige situatie is ontstaan, die kan leiden tot verder afkalving van de tarieven en beloningen en uiteindelijk tot grootschalige ontslagen.
Deze trend willen zij stoppen met onder meer de volgende afspraken:
• partijen zijn van mening dat gemeenten gunningen in het kader van de Wmo Hulp bij het Huishouden slechts kunnen doen aan partijen die de cao vvt onverkort toepassen;
• partijen zijn van mening dat er sprake moet zijn van een sectorbreed minimumsalaris voor (directe) hulp bij het huishouden, dat ligt boven het niveau van het wettelijk minimumloon;
• om de kosten van het opnemen van de nieuwe schaal in de algemeen verbindend te verklaren cao vvt te kunnen dragen is het noodzakelijk dat deze nieuwe schaal ook door alle gemeenten in Nederland bij hun inkoopbeleid wordt gehanteerd.
2. Rechtspositie hulp bij het huishouden bij overname Wmo
Bij het in dienst nemen van een werknemer werkzaam als hulp bij het huishouden in het kader van wisselingen in de contractering als gevolg van de Wmo 2015, is de nieuwe werkgever verplicht de arbeidsvoorwaarden, waaronder het salaris en de anciënniteit, toe te passen die laatstelijk van toepassing waren op de werknemer bij de oude werkgever.
3. Oplossing problematiek toepassing afspiegelingsbeginsel in de Wmo
Cao-partijen doen een dringend beroep op Minister Asscher om op korte termijn een uitzonderingsregel op het afspiegelingsbeginsel vast te stellen. Deze uitzondering houdt in dat het afspiegelingsbeginsel wordt toegepast op de werknemerspopulatie, werkzaam per gemeentelijk aanbestedingsbeleid.
Ad 4. Wachtgeld, transitievergoeding en derde WW-jaar in de cao vvt
Voorgesteld wordt om voor 1 mei 2015 uitwerking te geven aan onder meer de volgende uitgangspunten:
– partijen zullen door middel van herverzekering uitvoering geven aan handhaving van huidige hoogte, opbouw en duur van de Werkloosheiduitkering in het zogenaamde derde WW-jaar;
– partijen zullen voor 1 mei 2015 overleggen en zo mogelijk in de cao vastleggen dat de transitievergoeding die per 1 juli 2015 wordt geïntroduceerd, niet cumuleert met de wachtgeldregeling ex artikel 9.7 e.v. van de cao vvt, voor zover niet (tijdelijk) geregeld in de overgangsregeling op grond van artikel XXII lid 6 van de Wet werk en zekerheid.
Commentaar
Tot zover enkele afspraken uit het akkoord. Wij maken daarbij de volgende opmerkingen:
1. Er is in het akkoord veel aandacht besteed aan de bescherming van de rechtspositie van de werknemer in de vvt-sector. De vraag is echter of deze afspraken de werknemers zullen helpen. Verwezen zij immers naar de recente jurisprudentie in diverse zaken die zich in de vvt-sector hebben afgespeeld (zoals Careyn en Axxicom). Daaruit blijkt dat de werknemers vaak het onderspit delven, waarschijnlijk verklaard door de beperkte financiële ruimte die er nu eenmaal is. Ook het recente akkoord biedt daarom waarschijnlijk niet de garanties die deze beoogt te geven.
2. Het beroep op de Minister om aanpassing van de ontslagregels (afspiegelingsbeginsel) is succesvol gebleken. De bewindslieden Asscher en Van Rijn hebben het ontslagbeleid zeer recent (begin oktober) gewijzigd. Verder is bepaald dat het UWV ontslagaanvragen van thuiszorgaanbieders alvast in behandeling mag nemen, ook al is niet bekend of ze de Wmo-aanbesteding hebben verloren. Met deze maatregelen worden de zorgaanbieders tegemoet gekomen.
3. Op onderdelen lopen de cao-afspraken vooruit op de Wet werk en zekerheid (WWZ). Dat geldt bijvoorbeeld voor de transitievergoeding. In het akkoord wordt echter niet verwezen naar de mogelijkheid die de WWZ zal bieden, namelijk om in het kader van bedrijfseconomische ontslagen – in overleg met de bonden – een eigen ontslagcommissie in het leven te roepen. Daarbij kan een ontslagvolgorde worden gehanteerd die afwijkt van het afspiegelingsbeginsel. Hiermee lijkt een belangrijke mogelijkheid te ontstaan om van reorganiseren meer maatwerk te maken. Ook voor de sector vvt een nuttige mogelijkheid.
4. Ten slotte: los van de beperkte budgetten lijkt beperkte mobiliteit van medewerkers een andere oorzaak voor de problemen in de zorg. Waarom is daar in het akkoord niet meer aandacht aan gegeven? Bijvoorbeeld door goede afspraken te maken over samenwerking tussen zorgorganisaties. Door goede afspraken te maken over de (betere) inzetbaarheid van de medewerkers kan de mobiliteit worden vergroot. In dat kader hadden ook meer afspraken gemaakt kunnen worden over het transitiebudget, dat immers bedoeld is om medewerkers te scholen. Het lijkt een gemiste kans.
Mark van de Laar & Rianne Dreuning
Capra Zorg.