Het is aan de orde van de dag dat de leidinggevende in de gezagsverhouding tot de ambtenaar sturing geeft aan de wijze waarop deze zijn werkzaamheden verricht. De ambtenaar krijgt werk en werkinstructies opgedragen en dat leidt in de regel niet tot problemen. Anders is dat wanneer de arbeidsverhoudingen onder druk staan. De mededeling dat een functioneringstraject wordt gestart, de opdracht om bepaalde activiteiten voortaan vooraf te melden of een waarschuwing dat bepaald gedrag gestaakt moet worden leiden niet zelden tot teleurstelling aan de zijde van de ambtenaar. Het komt regelmatig voor dat de ambtenaar dan bezwaar maakt tegen dergelijke mededelingen.
Dergelijke mededelingen zijn – ook al zijn zij op schrift gesteld – echter niet aan te merken als besluiten in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Het is vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep dat beslissingen van bestuursorganen over de wijze waarop een ambtenaar wordt aangestuurd niet vatbaar zijn voor bezwaar en beroep.
In een recente uitspraak oordeelde de Raad over een dergelijke beslissing. Namens de Minister van Financiën was een onderzoek in gang gezet naar de wijze van declareren van een ambtenaar. Het onderzoek had niets opgeleverd, hetgeen aan ambtenaar werd meegedeeld. In diezelfde brief werd evenwel ook gesteld dat er nog een gesprek zou plaatsvinden met de ambtenaar om te komen tot een voldoende en transparante wijze van declareren. Tegen deze beslissing had de ambtenaar bezwaar gemaakt, welk bezwaar niet-ontvankelijk was geacht. De rechtbank en de Raad konden zich hierin vinden. Volgens de Raad was de ambtenaar met de mededeling – die was aan te merken als een normaal sturingsmiddel in de interne verhoudingen – niet in enig rechtspositioneel belang getroffen zodat de brief niet was aan te merken als een besluit in de zin van de Awb.