Het sluiten van een overeenkomst tussen een bestuursorgaan enerzijds en een ambtenaar anderzijds over met name ontslag en de voorwaarden waaronder, komt in deze tijden van krimp en bezuinigingen met regelmaat voor. De Centrale Raad van Beroep (hierna aan te duiden met de Raad) deed op 2 augustus 2012 (LJN: BX3536) een interessante uitspraak in een zaak waarbij zo’n overeenkomst voor lag.
In deze zaak ging het om een ambtenaar waaraan ontslag was verleend en deze had daartegen bezwaar gemaakt. In de bezwarenfase vond mediation plaats. Het college van B&W liet zich daarbij vertegenwoordigen door de directeur. Als resultaat van mediation traden de ambtenaar en de directeur in overleg over de voorwaarden waaronder de ambtenaar zou berusten in zijn ontslag.
Kennelijk tevreden met het onderhandelingsresultaat ondertekende de ambtenaar op 7 maart 2008 de onderliggende overeenkomst voor akkoord. De directeur ondertekende op 10 maart 2008 eveneens voor akkoord onder toevoeging van de tekst: “onder voorbehoud van instemming door het college van B en W op 18/3/08’.
Vervolgens echter liet de ambtenaar bij brief van 18 maart 2008 aan het college weten toch niet akkoord te zijn met de overeenkomst. Het college daarentegen stemde op dezelfde datum wel in met de overeenkomst. Ervan uitgaande dat ondanks de ingetrokken instemming van de ambtenaar toch rechtsgeldige overeenstemming was bereikt, verklaarde het college daarop het bezwaar gericht tegen het ontslagbesluit niet-ontvankelijk. De ambtenaar namelijk, zo luidde de redenering, had bij behandeling van zijn bezwaar, nu overeenstemming over zijn ontslag was bereikt, niet langer een processueel te dienen belang.
In het daartegen ingediende beroep voerde de ambtenaar aan dat er geen overeenstemming was bereikt over het ontslag doordat hij zijn instemming met de overeenkomst had ingetrokken vóórdat het college op zijn bezwaar had beslist. Daarnaast wees de ambtenaar erop dat hij vanwege het voorbehoud dat de directeur had gemaakt ten aanzien van de benodigde goedkeuring door het college van B&W, deelname aan een belangrijke opleiding was misgelopen. In de uitspraak wordt hierop niet verder ingegaan maar ik veronderstel dat de inschrijvingstermijn verstreken was vóór de college-vergadering. Hierdoor was een belangrijk voordeel van de overeenkomst al bij voorbaat teniet gedaan.
De Raad stelt de ambtenaar in het gelijk. De Raad verwijst in zijn uitspraak naar zijn vaste jurisprudentie over de betekenis van het intrekken van een ontslagverzoek, alvorens op het verzoek is beslist. Uit deze vaste jurisprudentie blijkt, dat als een ontslagverzoek door de ambtenaar wordt ingetrokken alvorens het bestuursorgaan op dat verzoek heeft beslist, dit ertoe leidt dat de grondslag aan het ontslagverzoek komt te ontvallen (LJN: ZB5046). In dezelfde lijn redeneert de Raad, dat als een ambtenaar terugkomt op zijn instemming met een overeenkomst alvorens de op grond van deze overeenkomst te nemen uitvoeringsbesluiten zijn genomen, de grondslag aan deze uitvoeringsbesluiten eveneens komt te ontvallen.
In deze kwestie speelde een belangrijke rol, dat de ambtenaar zijn instemming had ingetrokken vóórdat het college van B&W met de overeenkomst had ingestemd en deze instemming bekend had gemaakt. Stel namelijk dat de ambtenaar zijn instemming had ingetrokken vóór de beslissing op bezwaar maar nadat de overeenkomst al door beide partijen was ondertekend, dan had de ambtenaar mijns inziens wel gehouden kunnen worden aan nakoming daarvan op grond van het rechtszekerheidsbeginsel. Dit algemene rechtsbeginsel geldt immers niet alleen voor de ambtenaar maar ook voor het bestuursorgaan, dat ervan mag uitgaan dat gemaakte afspraken worden nagekomen.
Het college voerde nog aan, dat er feitelijk al overeenstemming was bereikt doordat de directeur de overeenkomst had ondertekend en doordat de goedkeuring achteraf door het college slechts gezien moest worden als een formaliteit. Deze redenering volgt de Raad niet. Niet alleen zou de mededeling ‘onder voorbehoud van instemming door het college van B en W’ zonder betekenis zijn als die instemming wel al geacht moest worden te zijn verleend maar daarnaast had de directeur juist de mededeling gedaan, omdat hij geen mandaat had. Ten overvloede overwoog de Raad nog dat nu de ambtenaar door de late instemming van het college met de overeenkomst niet langer kon deelnemen aan een opleiding, die in de overeenkomst voor hem bepalend was geweest, niet onbegrijpelijk was dat hij zijn instemming met de overeenkomst had ingetrokken.
Uit deze uitspraak volgt ten eerste dat ook de ambtenaar op zijn instemming met een overeenkomst kan terugkomen, op het moment dat er tussen beide partijen nog geen overeenstemming is bereikt. Dit heeft dan tot gevolg dat de grondslag aan te nemen uitvoeringsbesluiten komt te ontvallen. Ten tweede volgt uit deze uitspraak dat de zinsnede: ‘onder voorbehoud van goedkeuring door …’ wel degelijk waarde heeft. Het gegeven dat een ambtenaar geen rechten kan ontlenen aan een overeenkomst alvorens het bestuursorgaan daarmee heeft ingestemd, werkt omgekeerd net zo. Het bestuursorgaan kan niet stellen dat de ambtenaar aan zijn instemming gebonden is alvorens ook het bestuursorgaan met de overeenkomst heeft ingestemd en dit als zodanig bekend heeft gemaakt. .