Het primaat van de politiek

Een Ondernemingsraad (OR) dient te waarborgen dat de belangen van de medewerkers van een grote onderneming worden meegewogen bij bestuursbesluiten. Op initiatief van de OR of de ondernemer worden in overlegvergaderingen de aangelegenheden, de onderneming betreffende, aan de orde gesteld.

Adviesrecht Ondernemingsraad

De OR wordt door de ondernemer in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen over ingrijpende voorgenomen besluiten zoals het besluit tot het doen van een belangrijke investering ten behoeve van de onderneming. Voor sommige besluiten is zelfs de instemming van de OR vereist. De OR kan – in beginsel op kosten van de ondernemer – rechtstreeks beroep instellen tegen het besluit van de ondernemer bij de Ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam. Dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn wanneer de ondernemer een besluit neemt dat niet in overeenstemming is met het advies van de OR of wanneer het besluit zonder instemming is genomen terwijl instemming wel vereist is.

Politiek primaat

De OR van een bestuursorgaan heeft minder in de melk te brokkelen. De overheidswerkgever heeft immers een bijzondere positie. Soms moet de OR wijken voor het primaat van de politiek. Het “politieke primaat” is wettelijk verankerd in artikel 46d, aanhef en onder b van de Wet op de ondernemingsraden (Wor). Uit dit artikel volgt dat de OR geen recht op overleg heeft over aangelegenheden die zien op de publiekrechtelijke vaststelling van taken van publiekrechtelijke lichamen en onderdelen daarvan, tenzij het betreft de personele gevolgen daarvan. Ongewenste gevolgen heeft dat in beginsel niet omdat in de besluitvorming van democratisch gekozen organen het algemeen belang – en dus ook dat van de medewerkers – al moet zijn gewaarborgd.

In een arrest van 26 januari 2000 (TAR 2000/41) heeft de Hoge Raad nogmaals vastgesteld dat adviesrecht van de OR alleen geldt voor besluiten die strekken tot, of in het bijzonder gericht zijn op personele gevolgen. (Sjoerd Richters schreef hier al over in de Capra Concreet van 26 september 2012.) Desondanks wordt de uitzondering voor het politieke primaat door de ondernemingsraden en overigens ook door de Ondernemingskamer nog vaak te beperkt toegepast. Zo ook ten aanzien van de vraag of het Stadsdeel Zuid van de gemeente Amsterdam het besluit om het De Mirandabad te renoveren en ten behoeve van deze renovatie een krediet ter beschikking te stellen van € 4.060.000, aan de OR ter advisering had moeten voorleggen.

Politieke afwegingen

De Ondernemingskamer oordeelde dat uit de aard van het besluit van (het OR van) het Stadsdeel Zuid niet aanstonds volgt dat daaraan politieke afwegingen ten grondslag liggen. De omstandigheid dat het besluit is genomen door een democratisch gekozen orgaan maakt dat niet anders. Stadsdeel Zuid had dan ook concrete omstandigheden naar voren moeten brengen waaruit wél zou blijken dat het besluit is ingegeven door politieke overwegingen en/of gepaard gaat met een verschuiving van politieke taken of verantwoordelijkheden, aldus de Ondernemingskamer. Het stadsdeel Zuid heeft de zaak vervolgens aan de Hoge Raad voorgelegd.

Procureur-Generaal mr. Hammerstein was het pertinent oneens met de Ondernemingskamer en adviseerde de Hoge Raad de zaak te casseren omdat het inrichten en vaststellen van de begroting en de daarmee samenhangende besluiten “zonder twijfel binnen de bevoegdheid van het stadsdeel Zuid valt.” De Hoge Raad volgde het advies op en oordeelde op 13 september 2013 (JAR 2013, 29): “Het onderhavige besluit heeft rechtstreeks betrekking op het inrichten en vaststellen van de begroting van Stadsdeel Zuid en op de daarmee samenhangende terbeschikkingstelling van financiële middelen door middel van een krediet, in dit geval ten behoeve van de renovatie van een door Stadsdeel Zuid geëxploiteerd zwembad. Anders dan de Ondernemingskamer in rov. 3.5 van haar beschikking heeft geoordeeld, is een dergelijk besluit onmiskenbaar van dien aard dat het een politieke afweging vergt van de daaraan verbonden voor- en nadelen. Reeds daarom is sprake van een besluit als bedoeld in art. 46d, aanhef en onder b, WOR.”

Ondanks de jurisprudentie over dit onderwerp, blijft het moeilijk een strikte scheiding aan te brengen tussen besluiten die primair zien op politieke afwegingen en besluiten waarbij dat niet het geval is. Bij twijfel of uw voorgenomen besluit aan de OR moeten worden voorgelegd of bij andere vragen over dit onderwerp, kunt u uiteraard altijd contact opnemen met ondergetekende of één van de andere advocaten van Capra. Bedenk in dit verband wel dat u ‘vastzit’ aan een eenmaal gedane adviesaanvraag, in die zin dat u zich niet later op het standpunt kunt stellen dat van een adviesrecht geen sprake was. In dubio abstine, dus.

Eliza ChristiaansenJTVCcHRfdmlldyUyMGlkJTNEJTIyOGY3NWU3NmNqNiUyMiU1RA==

 

Copyright 2019 Capra Advocaten – Privacybeleid

Capra Advocaten