Hoge Raad scherpt toetsingskader leerplichtvrijstelling aan

Hoge Raad scherpt toetsingskader leerplichtvrijstelling aan

Hoge Raad scherpt toetsingskader leerplichtvrijstelling aan 150 150 Capra Advocaten

Hoge Raad 21 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:658 en ECLI:NL:HR:2026:659

De Hoge Raad heeft op 21 april 2026 twee arresten gewezen over de reikwijdte van de leerplichtvrijstelling wegens overwegende bedenkingen tegen de richting van het onderwijs (artikel 5, aanhef en onder b, Leerplichtwet 1969). In deze uitspraken verduidelijkt én verscherpt de Hoge Raad het bestaande toetsingskader, met name waar het gaat om bezwaren tegen het openbaar onderwijs.

Samengevat komt het oordeel van de Hoge Raad erop neer dat met betrekking tot openbare scholen alleen nog met succes een beroep kan worden gedaan op de vrijstellingsgrond als komt vast te staan dat het onderwijs op alle openbare scholen binnen redelijke afstand van de woning, voor zover dat onderwijs godsdienstig, levensbeschouwelijk of maatschappelijk van aard is, niet plaatsvindt op een objectieve, kritische en pluralistische manier. Dit zal in de praktijk betekenen dat een beroep op deze vrijstellingsgrond, waar het gaat om openbaar onderwijs, nog slechts onder uitzonderlijke omstandigheden zal kunnen slagen.

Hierna wordt eerst de achtergrond van de zaak geschetst, waarna wordt ingegaan op het oordeel van het gerechtshof en vervolgens op de beoordeling door de Hoge Raad.

De achtergrond van de zaak

Deze zaak gaat over het beroep dat een vader en moeder hebben gedaan om op basis van artikel 5, aanhef en onder b, Lpw vrijstelling te krijgen van de verplichting om hun dochter in te schrijven op een school vanwege overwegende bedenkingen. Dit beroep had betrekking op alle nabijgelegen scholen, waaronder ook het openbaar onderwijs. De ouders ontlenen deze ‘overwegende bedenkingen’ aan de Tasawwuf (het soefisme). Naar aanleiding van het beroep werden de ouders uitgenodigd voor een gesprek met de leerplichtambtenaar. Na afloop van dat gesprek kwam de leerplichtambtenaar tot de conclusie dat de ouders zich onvoldoende hadden georiënteerd op het onderwijsaanbod en dat de aangevoerde bedenkingen onvoldoende concreet waren onderbouwd. De ouders werden hiervan bij brief van 25 mei 2022 op de hoogte gesteld. Uiteindelijk is de officier van justitie overgegaan tot strafrechtelijke vervolging.

Oordeel van het gerechtshof

Het gerechtshof Amsterdam oordeelde op 22 oktober 2024 dat de door de ouders aangevoerde bezwaren tegen het onderwijs op (soennitisch) islamitische, joodse, antroposofische en christelijke basisscholen voldoende concreet en zwaarwegend waren.

Ten aanzien van het openbaar onderwijs kwam het hof echter tot een ander oordeel. De ouders hadden volgens het hof niet concreet gemaakt op welke wijze de (geloofs)ontwikkeling van hun dochter zou worden geschaad wanneer zij op een openbare school in aanraking zou komen met andere geloofsovertuigingen, temeer omdat een dergelijke confrontatie ook buiten school kan plaatsvinden. De stelling dat hun dochter daarvan in de war zou raken of zou kunnen gaan twijfelen, achtte het hof onvoldoende om te kunnen spreken van een concreet en zwaarwegend bezwaar. Ook het betoog dat zij zich voortdurend zou moeten verantwoorden voor namen, woorden, ideeën en opvattingen die zij van huis uit meekrijgt, was naar het oordeel van het hof onvoldoende concreet onderbouwd. De overtuiging van de ouders dat hun dochter zonder passend onderwijs ‘het paradijs niet zal binnengaan’, kwalificeerde het hof weliswaar als een zwaarwegende persoonlijke overtuiging, maar achtte deze op zichzelf onvoldoende om te kunnen gelden als een concreet en zwaarwegend bezwaar tegen het onderwijs dat een openbare school kan bieden. Zonder deze bezwaren verder te concretiseren, kwam het standpunt van de ouders er in de kern op neer dat zij iedere vorm enkele vorm van regulier onderwijs uitsloten, met uitzondering van onderwijs dat volledig was ingericht volgens de specifieke leer van de Tasawwuf.

Het toetsingskader: verduidelijking en aanscherping

Voor een geslaagd beroep op de vrijstelling van artikel 5, aanhef en onder b Lpw moeten de aangevoerde bedenkingen voortkomen uit ernstige gemoedsbezwaren die berusten op een welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing. Deze bezwaren moeten betrekking hebben op de richting van het onderwijs en voldoende concreet en zwaarwegend zijn, waarbij zij daadwerkelijk zien op het onderwijs zoals dat in de praktijk wordt aangeboden.

Bij de beoordeling moet worden onderzocht of wordt voldaan aan zowel de eisen die zien op de richting van het onderwijs als aan de vereisten van concreetheid en gewicht van de bezwaren. Alle scholen binnen redelijke afstand van de woning moeten in die beoordeling worden betrokken. Voor het openbaar onderwijs geldt daarbij een strikter toetsingskader. Van overwegende bedenkingen kan geen sprake zijn voor zover de bezwaren zijn gericht tegen onderwijs dat niet van godsdienstige of levensbeschouwelijke aard is. Hetzelfde geldt voor bezwaren tegen neutrale kennisoverdracht over uiteenlopende godsdienstige, levensbeschouwelijke of maatschappelijke opvattingen, tenzij concreet kan worden aangetoond dat deze overdracht niet objectief, kritisch en pluralistisch plaatsvindt.

Dit betekent dat degene die een beroep doet op de vrijstelling zijn bezwaren met concrete feiten en omstandigheden moet onderbouwen. De rechter kan het beroep reeds afwijzen zodra niet aan één van de vereisten is voldaan; een verdere toetsing is dan niet nodig.

Met deze overwegingen scherpt de Hoge Raad zijn eerdere rechtspraak aan. Een beroep op de vrijstellingsgrond ten aanzien van openbare scholen kan voortaan alleen slagen indien vaststaat dat het onderwijs op alle openbare scholen binnen redelijke afstand, voor zover levensbeschouwelijk of maatschappelijk van aard, niet voldoet aan de eisen van objectieve, kritische en pluralistische kennisoverdracht. Dit betekent dat de eerdere lijn in de rechtspraak, waarin ook bezwaren tegen het ontbreken van een levensbeschouwelijke of godsdienstige richting van het onderwijs voldoende konden zijn, wordt bijgesteld. Daarmee zijn bezwaren die uitsluitend zijn gericht tegen de neutrale richting van het openbaar onderwijs onvoldoende.

Conclusie

Volgens de Hoge Raad heeft het gerechtshof terecht geoordeeld dat de verdachte geen aanspraak kan maken op de vrijstelling van de leerplicht. Dat oordeel is juridisch juist en voldoende onderbouwd. De klachten tegen de uitspraak van het hof zijn dan ook verworpen. Voor de praktijk betekent dit dat een beroep op een leerplichtvrijstelling vanwege bezwaren tegen het openbaar onderwijs nog maar in zeer uitzonderlijke gevallen zal slagen.

Contact over dit onderwerp

Camilla Chand Capra Advocaten Den Bosch

Camilla Chand

Advocaat
Vestiging:
's-Hertogenbosch
Sector:
Overheid
Expertteam:
Arbeidsrecht
Telefoon:
073 - 613 13 45
Mobiel:
06 24 72 59 88

Gerelateerd

Capra Podcast 16: Richtlijn loontransparantie 150 150 Capra Advocaten

Capra Podcast 16: Richtlijn loontransparantie

Artikel

lees meer

Blijf op de hoogte

Blijf op de hoogte over ontwikkelingen, interessante jurisprudentie en wetswijzigingen op het gebied van arbeidsverhoudingen binnen de sectoren overheid, onderwijs en zorg. Selecteer welke nieuwsbrieven u wilt ontvangen en wij houden u op de hoogte.

Vestiging Den Haag
Laan Copes van Cattenburch 56
2585 GC Den Haag
Telefoon 070-364 81 02
denhaag@capra.nl

Vestiging ‘s-Hertogenbosch
Willem van Oranjelaan 2
5211 CT ‘s-Hertogenbosch
Telefoon 073-613 13 45
s-hertogenbosch@capra.nl

Vestiging Zwolle
Terborchstraat 12
8011 GG Zwolle
Telefoon 038-423 54 14
zwolle@capra.nl

Vestiging Maastricht
Spoorweglaan 7
6221 BS Maastricht
Telefoon 043-7 600 600
maastricht@capra.nl