De bedrijfsarts en het tuchtrecht in 2021

De bedrijfsarts en het tuchtrecht in 2021

De bedrijfsarts en het tuchtrecht in 2021 150 150 Capra Advocaten

Tien uitspraken van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg

Inleiding

Bedrijfsartsen moeten zich voor hun handelen regelmatig verantwoorden bij de medisch tuchtrechter. Dat is voor de direct betrokkenen een ingrijpende gebeurtenis. Voor werkgevers kan het soms aanleiding zijn om zaken te veranderen. Adviezen van bedrijfsartsen zijn immers essentieel voor deugdelijke besluiten bij verzuimbegeleiding.

In deze bijdrage ga ik in op de uitspraken die het Centraal Tuchtcollege Gezondheidszorg (hierna verder: ‘het Centraal Tuchtcollege’ of CTG) in 2021 heeft gedaan in tuchtklachten tegen bedrijfsartsen. Het Centraal Tuchtcollege, gevestigd te Den Haag, oordeelt in hoger beroep over medische tuchtklachten waarover eerder een regionaal tuchtcollege voor de gezondheidszorg (hierna: RTG) heeft geoordeeld. Met dank aan prof. mr. A.C. Hendriks, hoogleraar gezondheidsrecht aan de Rijksuniversiteit Leiden, voor zijn suggesties bij dit overzicht.

Hierna wordt ingegaan op enkele thema’s die in deze uitspraken aan de orde komen, en waar het Centraal Tuchtcollege inhoudelijk over heeft geoordeeld. Daarbij kan het zijn dat het Centraal Tuchtcollege de argumenten en het oordeel van het RTG over heeft genomen. Deze worden dan beschouwd als oordelen van (ook) het Centraal Tuchtcollege.

Waar gaan de zaken over?

In dit (beschrijvend) overzicht worden tien uitspraken besproken. Het zijn zaken waarin een klacht is ingediend tegen een bedrijfsarts. In één van deze uitspraken heeft het Centraal Tuchtcollege de maatregel van doorhaling van de inschrijving in het BIG-register opgelegd. In twee uitspraken – ten aanzien van dezelfde bedrijfsarts – heeft het Centraal Tuchtcollege de door het RTG opgelegde schorsing (een voorwaardelijke van zes maanden en een onvoorwaardelijke van drie maanden) in beroep in stand gelaten. In één uitspraak bleef een berisping in stand , en in drie uitspraken een waarschuwing. In één uitspraak was de klacht weliswaar gegrond, maar legde het Centraal Tuchtcollege geen maatregel op. In twee uitspraken oordeelde het Centraal Tuchtcollege dat de klachten niet ontvankelijk en/of ongegrond waren en volgde om die reden geen maatregel. Eén uitspraak die hierna behandeld wordt is niet gericht tegen een bedrijfsarts, maar is in dit verband toch relevant. De betreffende arts, een voormalige bedrijfsarts, presenteerde zich ten onrechte nog als bedrijfsarts.

In alle gevallen was een werknemer de klager. Dat is overigens geen vereiste, want ook een werkgever of bijvoorbeeld de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan een tuchtklacht tegen een bedrijfsarts indienen.

Over wat voor situaties gaan de klachten?

Deze gaan achtereenvolgens over het oordeel van de bedrijfsarts dat de werknemer niet geschikt is voor zijn eigen werk, maar wel voor aangepast werk , het oordeel dat er geen sprake is van arbeid gerelateerd verzuim , dat er geen goede reden was voor het staken van de re-integratiepoging , dat de werknemer gemiddeld ongeveer 20 uur per week kan werken en dat het goed zou zijn dat de werknemer een time out zou nemen, terwijl er geen sprake was van arbeidsongeschiktheid.

Verder gaan de klachten over het oordeel dat de bedrijfsarts de werknemer voor acht uur in de week hersteld had gemeld , over het feit dat de bedrijfsarts in een terugkoppeling de term ‘spoor 2’ noemde, terwijl het om een outplacementtraject ging en over de situatie dat de bedrijfsarts ten onrechte zou hebben vastgesteld dat er sprake is van een arbeidsgeschil en niet van een ziekte. Dit laatste speelde ook in de zaken waar het Centraal Tuchtcollege op 26 november 2021 over oordeelde.

Thema’s

Maar deze situaties zeggen nog niet waarover de werknemers klaagden. Onderstaand de thema’s die in de uitspraken aan de orde komen.

  • Een arts mag zich geen bedrijfsarts noemen als hij dat niet (meer) is. Dit werd een arts, die kort voordat dit speelde nog geregistreerd was als bedrijfsarts, verweten in een zaak waar het Centraal Tuchtcollege op 5 november 2021 over oordeelde (ECLI:NL:TGZCTG:2021:185). De arts had een ‘Bijstelling probleemanalyse’ ondertekend, waarop voorgedrukt stond het woord ‘bedrijfsarts’. De klacht dat de arts zich had voorgedaan als bedrijfsarts in plaats van arbo-arts, werd gegrond verklaard. Van een professioneel arbo-arts – overigens geen beschermde specialistentitel – mag volgens het Centraal Tuchtcollege immers worden verwacht dat hij erop let in welke hoedanigheid hij een formulier ondertekent en dit, indien nodig, wijzigt.

    Hoewel deze zaak niet een bedrijfsarts betreft, is deze uitspraak toch interessant. Want een arts mag zich dus niet zomaar bedrijfsarts noemen. Ook voor de werkgever is dit van belang om te weten, bijvoorbeeld bij het drukken van formulieren en vermelden van namen en titels in de ruimte waar de arbodienst is gevestigd.

  • In het proces van de verzuimbegeleiding van een zieke werknemer is de rol van de bedrijfsarts ‘cruciaal’, aldus oordeelt het Centraal Tuchtcollege in de uitspraak van 5 november 2021 (ECLI:NL:TGZCTG:2021:186). Met deze niet mis te verstane kwalificatie wordt het belang van de rol van de bedrijfsarts weergegeven. Wat ging er volgens de klager mis? De klager/werknemer verweet de bedrijfsarts, dat zij ten onrechte had vastgesteld dat er sprake was van een arbeidsgeschil en niet van een ziekte. De betreffende klager was uitgevallen voor zijn werk vanwege verslavingsproblematiek.

    Uit de uitspraak blijkt dat de wijze waarop de verzuimbegeleiding in dit geval was georganiseerd zodanig was, dat er niet of nauwelijks contact was tussen de bedrijfsarts en de werkgever.

    Maar dit – waarmee naar ik aanneem wordt bedoeld: het ontbreken van direct contact tussen bedrijfsarts en werkgever – laat volgens het Centraal Tuchtcollege onverlet dat de bedrijfsarts vanuit haar verantwoordelijkheid als bedrijfsarts meer had moeten doen dan zij in dit geval heeft gedaan. Zo had zij zich er bijvoorbeeld zelf van dienen te vergewissen dat het gesprek tussen klager en zijn werkgever zorgvuldig begeleid werd en was het onvoldoende om te volstaan met aan de casemanager doorgeven dat het advies aan de werkgever zorgvuldig vormgegeven moest worden. Van de inhoud van het advies is de bedrijfsarts onkundig gebleven.

    Verder is – aldus het Centraal Tuchtcollege – de probleemanalyse niet door de bedrijfsarts zelf, maar door een arbo-arts opgesteld, aan de hand van een advies dat door de bedrijfsarts is opgesteld naar aanleiding van een verzuimconsult. Ook van deze analyse is de bedrijfsarts – ten onrechte – onkundig gebleven, zo stelt het Centraal Tuchtcollege vast. Door deze manier van functioneren heeft de bedrijfsarts een ‘te marginale invulling’ aan haar rol als bedrijfsarts gegeven, aldus het Centraal Tuchtcollege.

    Het Centraal Tuchtcollege nam het oordeel van het RTG over dat er sprake was van een ‘versnipperde verzuimbegeleiding’. Daarbij is verwezen naar het Standpunt delegatie van taken door de bedrijfsarts en supervisie (NVAB 2020). Uitgangspunt volgens het Standpunt is dat de bedrijfsarts verantwoordelijk is voor het geheel van de sociaal-medische begeleiding en de afstemming van de diverse onderdelen daarvan en de daarop gebaseerde adviezen aan werkgever en werknemer. Aan dit uitgangspunt had de bedrijfsarts niet voldaan.

    Het is verder volgens het Centraal Tuchtcollege onduidelijk gebleven of de bedrijfsarts haar taken (voor een deel) door anderen heeft laten uitvoeren dan wel heeft gedelegeerd. Het Centraal Tuchtcollege ziet geen actieve betrokkenheid van de bedrijfsarts bij de verzuimbegeleiding, terwijl de bedrijfsarts wel verantwoordelijk is voor de arbeidsgezondheidskundige advisering aan de werkgever.

    In het kader van een goede verzuimbegeleiding speelt de bedrijfsarts volgens het Centraal Tuchtcollege – zoals gezegd – een ‘cruciale rol’ wat betreft de begeleiding van de zieke werknemer (en dat houdt méér in dan de spreekuurconsulten) en de advisering aan de werkgever (waarbij de bedrijfsarts minst genomen nauw betrokken moet zijn).

  • De hiervoor besproken uitspraak van 5 november 2021 (ECLI:NL:TGZCTG:2021:186). heeft te maken met de organisatie van de bedrijfsgeneeskundige zorg. Ook het volgende thema, het eigen regie model, heeft daarop betrekking.

    Klager verwijt de bedrijfsarts onder meer (er waren 17 klachten) dat hij de werkgever niet of zo slecht adviseerde dat er als gevolg van zijn advies discussie ontstond tussen klager en zijn leidinggevende (ECLI:NL:TGZCTG:2021:132). Volgens klager heeft de bedrijfsarts voorts geen enkel advies ten aanzien van het woon-werkverkeer gegeven, waarmee hij zijn zorgplicht schendt.

    Het Centraal Tuchtcollege stelt voorop dat de bedrijfsarts werkte in een zogenaamd ‘eigen regie model’. Dit houdt in dat de werkgever de verzuimbegeleiding zelf regelt en bepaalt wie, wat wanneer doet. De bedrijfsarts blijft volgens het Centraal Tuchtcollege (ook) in dat model weliswaar eindverantwoordelijk voor de arbeidsgeneeskundige begeleiding en de door hem gegeven adviezen, maar dit ontslaat een werkgever en werknemer niet van hun verantwoordelijkheden in het proces.

    Mede in aanmerking nemende de eigen verantwoordelijkheid van werkgever en werkgever als het gaat om het opvolgen van adviezen en afspraken, is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat de bedrijfsarts hier niet tuchtrechtelijk kan worden verweten dat hij niet of slecht heeft geadviseerd.

  • Een regelmatig terugkerend thema in de tuchtrechtspraak, ook ten aanzien van bedrijfsartsen, is het beroepsgeheim van medisch beroepsbeoefenaren. Ook in 2021 is daar uitspraak over gedaan.

    Een bedrijfsarts wordt verweten dat hij zijn beroepsgeheim heeft geschonden door e-mailcorrespondentie over een second opinion aan diverse personen werkzaam binnen het bedrijf van de werkgever door te sturen (ECLI:NL:TGZCTG:2021:83). Het Centraal Tuchtcollege verklaart deze klacht gegrond. De bedrijfsarts verweerde zich, door te stellen dat het de werkgever is die een second opinion moet betalen en daarvoor akkoord moet geven. Vanuit een oogpunt van efficiency heeft de bedrijfsarts daarop enkele personen binnen het bedrijf in de cc gezet, zodat daarmee de werkgever op de hoogte was van het verzoek van de klager. Er stond volgens de bedrijfsarts geen medische informatie in de e-mails.

    Maar volgens het Centraal Tuchtcollege miskent de bedrijfsarts dat de correspondentie tussen hem en de klager naar aanleiding van de vraag van de klager over de mogelijkheden van een second opinion plaatsvond in het kader van de vertrouwensrelatie tussen klager en de bedrijfsarts. Anders dan de bedrijfsarts lijkt te veronderstellen, ziet het medisch beroepsgeheim volgens het Centraal Tuchtcollege niet alleen op zuiver medische gegevens maar op alle informatie die hij in het kader van de vertrouwensrelatie heeft verkregen. Het delen van deze informatie met derden valt, volgens het Centraal Tuchtcollege, niet onder het zogenaamde ‘noodzakelijkheidscriterium’, op basis waarvan kan worden bepaald wanneer dit wel kan zijn toegestaan.

    Dit criterium betekent overigens dat, conform de NVAB/Boaborea leidraad Bedrijfsarts & Privacy (2011), alleen gegevens die de werkgever nodig heeft in het kader van de vaststelling van de (loondoor)betalingsverplichting en de verzuimbegeleiding en re-integratie aan de werkgever mogen worden verstrekt.

  • De bedrijfsarts uit de hiervoor onder beroepsgeheim genoemde uitspraak (ECLI:NL:TGZCTG:2021:83), wordt (ook) verweten dat hij ten onrechte niet heeft ingestemd met een second opinion voor de werknemer. De second opinion houdt trouwens kort gezegd in dat, als een werknemer twijfelt aan de juistheid van het advies van de bedrijfsarts, deze om een second opinion van een andere bedrijfsarts kan vragen. Deze mogelijkheid bestaat sinds 1 juli 2017.

    In de zaak die hiervoor is besproken, meende de klager dat hij recht had op een second opinion, omdat hij geen vertrouwen (meer) had in het medisch oordeel van de bedrijfsarts. De bedrijfsarts dacht dat een deskundigenoordeel beter was, nu de werknemer doende was om met zijn werkgever tot een vaststellingsovereenkomst te komen.

    Maar volgens het Centraal Tuchtcollege was er geen enkele reden voor de bedrijfsarts om zijn medewerking aan een second opinion te weigeren. Juist als werkgever en werknemer in gesprek zijn over een vaststellingsovereenkomst is het voor een werknemer van belang een onafhankelijk oordeel te krijgen over zijn medische situatie, om bij dat overleg zijn positie goed te kunnen inschatten. Het behoort tot de taak van de bedrijfsarts om de werknemer op de juiste wijze te informeren. De bedrijfsarts heeft verder miskend dat hij grote onrust veroorzaakte bij de werknemer. Het bieden van zekerheid is volgens het Centraal Tuchtcollege nu juist een belangrijk doel van het recht op een second opinion.

    Hoewel het Centraal Tuchtcollege dit niet uitdrukkelijk uitspreekt, lijkt het van oordeel te zijn dat de second opinion onafhankelijker is dan het deskundigenoordeel (wellicht vanwege de specifieke insteek van een deskundigenoordeel). Het kan ook zijn dat wordt bedoeld, dat de bedrijfsarts goed/beter moet luisteren naar de wensen van de zieke werknemer. Helaas is dit niet helemaal duidelijk.

    In een andere zaak, namelijk de zaak die leidde tot het oordeel van 9 juli 2021, werd de bedrijfsarts onder meer verweten dat hij blijkbaar niet op de hoogte was welke mogelijkheden er zijn voor het aanvragen van een second opinion binnen de eigen arbo-organisatie, voorafgaand aan het UWV-traject (ECLI:NL:TGZCTG:2021:136). Onder meer hierdoor heeft de bedrijfsarts zich schuldig gemaakt aan onprofessioneel medisch handelen tegenover de klaagster, aldus het Centraal Tuchtcollege.

  • Het deskundigenoordeel speelde ook in een andere context een rol, zo blijkt uit een uitspraak van het Centraal Tuchtcollege van 23 april 2021 (ECLI:NL:TGZCTG:2021:87). De mogelijkheid van een deskundigenoordeel, waarbij UWV kan worden gevraagd om een oordeel te geven over de vraag of er wel of niet sprake is van arbeidsongeschiktheid wegens ziekte, of over de vraag of er voldoende re-integratie inspanningen zijn verricht, bestaat overigens al sinds 2002.

    In de bedoelde kwestie wordt de bedrijfsarts verweten dat zij een op verzoek van klager opgesteld deskundigenoordeel niet heeft gebruikt voor de re-integratie van klager. Het Centraal Tuchtcollege constateert dat niet kan worden vastgesteld dat de bedrijfsarts het deskundigenoordeel ooit heeft ontvangen. De bedrijfsarts voert aan dat zij weliswaar niet beschikte over dit document, maar via een telefoongesprek door de verzekeringsarts van het UWV over de inhoud van het deskundigenoordeel op de hoogte is gebracht.

    Voor het Centraal Tuchtcollege is dit voldoende om aan te nemen dat de bedrijfsarts het deskundigenoordeel kende en had laten meewegen. Het is immers niet ongebruikelijk dat een deskundigenoordeel telefonisch wordt besproken. De verzekeringsarts van het UWV heeft bovendien dit telefonisch contact schriftelijk bevestigd. Het Centraal Tuchtcollege gaat er dus vanuit dat de bedrijfsarts het deskundigenoordeel heeft laten meewegen in haar advies. De klacht hierover wordt daarom ongegrond verklaard.

  • Een ‘time out’ was aan de orde in een zaak waar er sprake is van frequent ziekteverzuim, maar de werkneemster (van een school) ten tijde van het bewuste advies van de bedrijfsarts arbeidsgeschikt was (ECLI:NL:TGZCTG:2021:134). Waar gaat het in deze zaak verder om?

    De werkneemster heeft op verzoek van de verzuimcoach van de werkgever contact met de bedrijfsarts. Er was op dat moment geen sprake van een ziekmelding. Reden voor het contact met de bedrijfsarts is wel frequent ziekteverzuim van de werkneemster. De bedrijfsarts adviseert de werkneemster een ‘time out’ te nemen om te herstellen. De komende tijd zou ze niet naar school moeten gaan. Kort daarna is de werkneemster alsnog door haar werkgever ziekgemeld. De werkneemster verwijt de bedrijfsarts dat zij haar werkgever heeft aangezet tot het weren van haar op het werk en het op non-actief stellen, terwijl zij arbeidsgeschikt was om te werken.

    Het Centraal Tuchtcollege volgt de werkneemster/klaagster. Volgens het Centraal Tuchtcollege had de bedrijfsarts, gezien ook het overleg dat zij had gehad met de inzetbaarheidscoach, moeten overzien dat er sprake was van een frictie tussen de werkneemster en haar werkgever. Ten onrechte heeft zij bij de werkneemster niet geverifieerd wat precies door of namens de werkgever met haar is besproken over haar verzuim en functioneren. Door het woord time-out te gebruiken heeft de bedrijfsarts nagelaten aan te geven of de werkneemster op dat moment al dan niet in staat was te werken. Zij heeft onvoldoende afstand gehouden van het (dreigende) arbeidsconflict. De bedrijfsarts heeft de werkneemster hiermee onvoldoende begeleid, aldus het Centraal Tuchtcollege.

    Deze zaak doet trouwens denken aan de STECR Werkwijzer Arbeidsconflicten (oktober 2014), waarin immers de mogelijkheid van een interventieperiode wordt genoemd. Een advies voor een interventieperiode, die in uitzonderlijke situaties maximaal twee weken kan duren, kan ook gegeven worden als er geen sprake is van arbeidsongeschiktheid wegens ziekte. Bijvoorbeeld als bij een arbeidsconflict de emoties hoog oplopen. Maar in deze zaak is de time out, waarvan de duur niet was bepaald, niet zo bedoeld of begrepen. In de uitspraak wordt hier geen woord aan gewijd.

  • Van de bedrijfsarts wordt verwacht dat hij de werknemer behoorlijk bejegent. Dat het nalaten hiervan, in combinatie met het ontbreken van zelfreflectie, zeer verstrekkende gevolgen kan hebben, blijkt uit de volgende zaak.

    Het gaat om de uitspraak van 9 juli 2021, waarmee het Centraal Tuchtcollege een bedrijfsarts de maatregel heeft opgelegd van doorhaling van de inschrijving in het BIG-register (ECLI:NL:TGZCTG:2021:136) . Wat was er aan de hand?

    Een trajectbegeleider bij een kringloopwinkel valt uit wegens ziekte. Haar tijdelijke uitbreiding van de arbeidsovereenkomst komt dan van rechtswege te vervallen, en ze maakt aanspraak op een uitkering op grond van de Ziektewet. Voor dit laatste wordt een andere, tweede bedrijfsarts betrokken. Deze vindt, anders dan de bedrijfsarts voor het andere deel, dat de medewerkster arbeidsgeschikt is. De ZW-uitkering wordt stopgezet, maar dit wordt na bezwaar hersteld. De trajectbegeleider dient een klacht in tegen de tweede bedrijfsarts. De klacht houdt in dat de bedrijfsarts de medewerkster onbehoorlijk, denigrerend, bejegend heeft. Ook is er volgens klaagster sprake van onprofessioneel handelen.

    Beide klachten worden gegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege oordeelt dat de herhaalde opmerking van de bedrijfsarts “ik heb hier grote moeite mee” een weerslag is van een persoonlijke opvatting, die niet strookt met de geldende wet- en regelgeving. Verder schrijft de bedrijfsarts in een rapportage dat er geen sprake is van een psychiatrisch ziektebeeld, gevolgd door “verre van”. Ook dit is volgens het Centraal Tuchtcollege ongepast.

    Deze zaak komt hierna nog enkele keren terug. Er speelde dus meer, wat heeft geleid tot de meest verstrekkende maatregel die kan worden opgelegd.

  • Een in de uitspraken uit 2021 regelmatig terugkerende tuchtklacht, is dat de bedrijfsarts andere artsen niet heeft geraadpleegd. Dit is niet altijd klachtwaardig.

    In een uitspraak van het Centraal Tuchtcollege van 9 juli 2021, oordeelt het Centraal Tuchtcollege dat de bedrijfsarts voldoende had toegelicht waarom zij op dat moment geen meerwaarde zag in het nogmaals opvragen van informatie bij de eerder geraadpleegde neuroloog (ECLI:NL:TGZCTG:2021:134) . Zij had verklaard dat dit dubbelop zou zijn, en het daarmee een vertragend effect zou hebben op de verzuimbegeleiding. De klacht dat de bedrijfsarts niet voldoende moeite had gedaan zich een juist en volledig beeld te vormen van klaagsters medische situatie, is daarom volgens het Centraal Tuchtcollege ongegrond.

    Ook in een andere zaak waar het Centraal Tuchtcollege op 9 juli 2021 over oordeelde (hiervoor al besproken onder onbehoorlijke bejegening), werd de bedrijfsarts verweten dat hij geen andere behandelaren, zoals in elk geval de eerste bedrijfsarts, had geraadpleegd (ECLI:NL:TGZCTG:2021:136). In dit geval was de klacht volgens het Centraal Tuchtcollege wel gegrond. De bedrijfsarts had zich verweerd, door te stellen dat hij voldoende doorgeleerd had in de psychiatrie om zelf een oordeel te vellen over iemands ‘psychiatrisch toestandsbeeld’, maar dat verweer hield dus geen stand.

    Ook in de zaak waar het Tuchtcollege op 26 november 2021 over oordeelde, was de bedrijfsarts op dit punt tekortgeschoten (ECLI:NL:TGZCTG:2021:206). 

    Volgens het Centraal Tuchtcollege had de bedrijfsarts bij het vormen van een oordeel over de door hem gestelde ‘werkissues’ ten onrechte de andersluidende opvatting van de eerste bedrijfsarts niet betrokken. De bedrijfsarts had verder ten onrechte geen aanleiding gezien om zijn oordeel tenminste voorwaardelijk te maken in afwachting van de bevindingen van de ingeschakelde GGZ-psycholoog. Hij heeft evenmin contact gehad met de huisarts van de klaagster. Aan de duidelijke diagnose van de behandelend psychiater, waaruit een veel bredere problematiek dan het door de bedrijfsarts gepercipieerde arbeidsconflict bleek, heeft de bedrijfsarts in ieder geval tot het advies van het UWV evenmin betekenis toegekend. De klacht was daarom gegrond.

    Over dezelfde bedrijfsarts heeft het Centraal Tuchtcollege op dezelfde datum uitspraak gedaan over een andere klacht (ECLI:NL:TGZCTG:2021:207). Deze bedrijfsarts had, zonder zich te verdiepen in de multidisciplinaire richtlijn ‘Mensen met migraine …. aan het werk!’ en zonder deugdelijke motivering, de medische conclusies van de verzekeringsartsen van het UWV en van de neuroloog naast zich neergelegd. Dit is volgens het Centraal Tuchtcollege verwijtbaar.

  • Ook zelfreflectie is een thema dat herhaaldelijk terugkomt in uitspraken van het Centraal Tuchtcollege in 2021. Het ontbreken daarvan kan zeer ingrijpende gevolgen hebben voor bedrijfsartsen.

    In de zaak die leidde tot de maatregel van doorhaling van de inschrijving in het BIG-register, hiervoor al besproken, speelde het ontbreken van zelfreflectie een zeer belangrijke – mogelijk doorslaggevende – rol (ECLI:NL:TGZCTG:2021:136). Het Centraal Tuchtcollege overweegt in deze zaak dat niet gebleken is dat de onzorgvuldigheid van zijn handelen tot de bedrijfsarts is doorgedrongen. Tijdens de zitting is, zo staat in de uitspraak, een beeld ontstaan van een bedrijfsarts die overtuigd is van zijn eigen gelijk en in het geheel niet ontvankelijk is voor feedback. Van toetsbaar opstellen is volgens het Centraal Tuchtcollege geen sprake. De bedrijfsarts heeft ter zitting verklaard weldegelijk kritisch te zijn op zichzelf en dat hij daar geen Tuchtcollege voor nodig heeft. Maar dit verweer mocht de bedrijfsarts beslist niet baten.

    De bedrijfsarts die onderwerp van geschil was in de procedure waar het Centraal Tuchtcollege op 26 november 2021 over oordeelde ([1] ECLI:NL:TGZCTG:2021:206), had volgens het Centraal Tuchtcollege onverkort vastgehouden aan zijn diagnose dat sprake was van een arbeidsconflict en zijn advies tot snelle werkhervatting. Hierdoor was het herstelproces volgens het Centraal Tuchtcollege zeker belemmerd. Volgens het Centraal Tuchtcollege had de bedrijfsarts zich onvoldoende toetsbaar opgesteld.

    De bedrijfsarts had aanvankelijk helemaal geen verweer gevoerd, en dat werd hem door het Centraal Tuchtcollege verweten. Niet alleen voor het RTG, maar ook voor het Centraal Tuchtcollege had de bedrijfsarts er geen blijk van gegeven te reflecteren en zich toetsbaar op te stellen. Hoewel dit niet heel uitdrukkelijk zo is omschreven in de uitspraak, lijkt dit voor het Centraal Tuchtcollege van belang bij de onderbouwing van de opgelegde maatregel: een voorwaardelijke schorsing voor de duur van zes maanden (in plaats van een berisping).

    Over dezelfde bedrijfsarts heeft het Centraal Tuchtcollege op dezelfde datum uitspraak gedaan over een andere klacht (ECLI:NL:TGZCTG:2021:207) . In deze zaak legde het Centraal Tuchtcollege de maatregel van onvoorwaardelijke schorsing voor de duur van drie maanden op. Dat is een zwaardere maatregel dan de door het RTG opgelegde berisping. Reden hiervoor is dat de bedrijfsarts volgens het Centraal Tuchtcollege er geen blijk van had gegeven te reflecteren en zich toetsbaar op te stellen. De bedrijfsarts was er kennelijk, aldus het Centraal Tuchtcollege, nog steeds van overtuigd dat hij (grotendeels) correct gehandeld had en zocht de oorzaak van de (mede door hem) bij klager ontstane gezondheidsproblemen buiten zichzelf. 

    Ook de samenloop van de twee (gegronde) tuchtprocedures heeft in deze laatste zaak geleid tot een zwaardere maatregel.

    Het kan ook anders. 

    In de zaak waar het Centraal Tuchtcollege op 5 november 2021 over oordeelde, had de bedrijfsarts op de terechtzitting bij het Centraal Tuchtcollege wel laten blijken dat zij had gereflecteerd. Ze had aangegeven dat zij niet meer op dezelfde wijze (dat wil zeggen versnipperde verzuimbegeleiding) wilde werken. De bedrijfsarts werkte inmiddels ook voor een andere opdrachtgever, waar zij (wel) adequaat invulling kon geven aan haar verantwoordelijkheid als bedrijfsarts. Desondanks blijft de door het RTG opgelegde berisping in stand, gelet ook op een eerder, in 2019, opgelegde maatregel. Het RTG had in deze laatste zaak overigens overwogen dat de bedrijfsarts ter zitting geen reflectie had getoond op haar functioneren. Zij had toen (nog) blijk gegeven van een (zeer) beperkte taakopvatting van de bedrijfsarts.

  • Bijna aan het slot van dit overzicht het thema, waar het in de bedrijfsgeneeskundige zorg bij uitstek om gaat: de veiligheid van werknemers. In enkele uitspraken onderstreept het Centraal Tuchtcollege dit belang.

    In de uitspraak van het Centraal Tuchtcollege van 9 juli 2021, oordeelt het Centraal Tuchtcollege dat de veiligheid van (arbeidsongeschikte) patiënten/werknemers, die zich vaak in een kwetsbare positie bevinden, vraagt om de maatregel van doorhaling van de inschrijving in het BIG-register (ECLI:NL:TGZCTG:2021:136). Het Centraal Tuchtcollege verwijst hierbij naar de onbehoorlijke bejegening, het medisch onprofessionele handelen tezamen met de proceshouding van de bedrijfsarts.

    Ook in de zaak die leidde tot het oordeel van 26 november 2021, die hiervoor ook onder het thema ‘zelfreflectie’ is besproken, speelt het belang van de werknemer een duidelijke rol (ECLI:NL:TGZCTG:2021:206). Het optreden was volgens het Centraal Tuchtcollege contraproductief geweest. Reden waarom een voorwaardelijke schorsing was aangewezen, in plaats van een berisping.

    Over dezelfde bedrijfsarts heeft het Centraal Tuchtcollege op dezelfde datum uitspraak gedaan over een andere klacht (ECLI:NL:TGZCTG:2021:207).

    In deze zaak onderbouwt het Centraal Tuchtcollege de onvoorwaardelijke schorsing voor de duur van drie maanden, zwaarder dan de berisping die het RTG had opgelegd, met onder meer het argument dat het handelen van de bedrijfsarts leidde tot gezondheidsschade bij de klager. Dit was het gevolg van het stelselmatig ongemotiveerd ter zijde schuiven van informatie die de bedrijfsarts niet welgevallig was.

  • Af en toe spelen er ook vragen van meer procedurele aard. Zoals in de zaak waar het Centraal Tuchtcollege op 26 oktober 2021 over oordeelde (ECLI:NL:TGZCTG:2021:176).

    In deze kwestie waren drie klachten aan de orde.

    Over twee van deze klachten had het Centraal Tuchtcollege eerder al (onherroepelijk) geoordeeld. Gelet op het ne bis in idem beginsel, op grond waarvan een bedrijfsarts niet tweemaal over dezelfde zaak tuchtrechtelijk kan worden beoordeeld, werd klager daarom in de klager in deze klachten niet-ontvankelijk verklaard.

    De derde klacht was dat de bedrijfsarts geen invulling had gegeven aan de afspraak dat tussen werkgever en werknemer een spoor 2 traject was afgesproken. Omdat al onherroepelijk was geoordeeld dat er geen spoor 2 traject was afgesproken, maar een outplacementtraject, oordeelde het Centraal Tuchtcollege dat dit klachtonderdeel feitelijke grondslag mistte. Daarom werd deze klacht afgewezen.

Conclusies

Welke conclusies zijn er uit het voorgaande overzicht te trekken?

In de jurisprudentie van het Centraal Tuchtcollege van 2021 tegen bedrijfsartsen valt allereerst op, dat de oordelen niet of nauwelijks medisch inhoudelijk van aard zijn. Het Centraal Tuchtcollege refereert ook maar weinig aan richtlijnen. Opvallend is ook dat het Centraal Tuchtcollege sommige uitspraken van het RTG fors heeft aangescherpt.

In enkele uitspraken komt de organisatie van de bedrijfsgeneeskundige zorg aan de orde (zoals het eigen regie model). Voor de werkgever, verantwoordelijk voor het bieden van deze zorg, is dit natuurlijk nuttige informatie. Dat geldt ook voor de nodige afstand die er moet zijn tussen werkgever en bedrijfsarts.

In de uitspraken is er ook aandacht voor de second opinion en voor het belang dat de bedrijfsarts – zo nodig – andere (behandelend) artsen raadpleegt. Dit is ook voor de werkgever, die belang heeft bij zorgvuldig tot stand gekomen adviezen, belangrijk om te weten.

Verder valt vooral op dat zelfreflectie door een aangeklaagde bedrijfsarts op zijn handelen een zeer belangrijk onderwerp is. In meerdere uitspraken komt dit aspect terug. Als er onvoldoende zelfreflectie door de bedrijfsarts heeft plaatsgevonden, kan dat leiden tot een zwa(arde)re maatregel. In dat verband valt ook op dat in enkele uitspraken, en dat lijkt mij helemaal terecht, het belang van veiligheid van de werknemer/patiënt wordt benadrukt.

Bovendien heeft het Centraal Tuchtcollege in 2021 de rol van de bedrijfsarts bij de verzuimbegeleiding, die volgens het Centraal Tuchtcollege ‘cruciaal’ is, nog eens duidelijk benoemd en toegelicht. Vanzelfsprekend is ook dit voor de werkgever van belang. Samen met de zeer verstrekkende uitspraak waarmee het Centraal Tuchtcollege een bedrijfsarts heeft doorgehaald van de inschrijving in het BIG-register, zijn dit de twee uitspraken die nog het meeste opvallen. Nuttige uitspraken waar werkgever en bedrijfsarts lering uit kunnen trekken.

Contact over dit onderwerp

Mark van de Laar

Mark van de Laar

Advocaat
Vestiging:
Maastricht
Sector:
Overheid, Zorg
Expertteam:
Arbeidsrecht,
Telefoon:
043-7 600 600
Mobiel:
06 15 05 42 23

Gerelateerd

FAQ Vakantie 150 150 Capra Advocaten

FAQ Vakantie

Artikel

lees meer
De medisch specialist 150 150 Capra Advocaten

De medisch specialist

Artikel

lees meer
Arbeidsrechtelijke uitspraken in de zorgsector – podcast 150 150 Capra Advocaten

Arbeidsrechtelijke uitspraken in de zorgsector – podcast

Artikel

lees meer
Jurisprudentie selectie Zorg – april 2022 150 150 Capra Advocaten

Jurisprudentie selectie Zorg – april 2022

Artikel

lees meer

Blijf op de hoogte

Blijf op de hoogte over ontwikkelingen, interessante jurisprudentie en wetswijzigingen op het gebied van arbeidsverhoudingen binnen de sectoren overheid, onderwijs en zorg. Selecteer welke nieuwsbrieven u wilt ontvangen en wij houden u op de hoogte.

Vestiging Den Haag
Laan Copes van Cattenburch 56
2585 GC Den Haag
Telefoon 070-364 81 02
Fax 070-361 78 47
denhaag@capra.nl

Vestiging ‘s-Hertogenbosch
Bastion Vught 1
5211 CZ ‘s-Hertogenbosch
Telefoon 073-613 13 45
Fax 073-614 82 16
s-hertogenbosch@capra.nl

Vestiging Zwolle
Terborchstraat 12
8011 GG Zwolle
Telefoon 038-423 54 14
Fax 038-423 47 84
zwolle@capra.nl

Vestiging Maastricht
Spoorweglaan 7
6221 BS Maastricht
Telefoon 043-7 600 600
Fax 043-7 600 609
maastricht@capra.nl