Hof Amsterdam: Opheffing één functie adviesplichtig

Hof Amsterdam: Opheffing één functie adviesplichtig

Hof Amsterdam: Opheffing één functie adviesplichtig 150 150 Capra Advocaten

In artikel 25 lid 1 van de Wet op de ondernemingsraden de WOR, staan de onderwerpen opgesomd waarover de ondernemer de ondernemingsraad advies moet vragen. Het gaat steeds om belangrijke beslissingen van financieel-economische of bedrijfsorganisatorische aard. Maar wanneer is een besluit belangrijk?

In zijn beschikking van 29 maart 2023, gepubliceerd op 6 juni 2023, met nummer ECLI:NL:GHAMS:2023:922 sprak de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam zich uit over het besluit van het bedrijf Insight Nederland tot opheffing van de functie Senior Solutions Manager zonder daarover advies te vragen aan de Ondernemingsraad.

Voor de Ondernemingsraad was dit reden om zich tot de Ondernemingskamer te wenden met het verzoek om te bepalen dat Insight Nederland bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid niet had kunnen komen tot het besluit de betreffende functie op te heffen en daarbij aan Insight Nederland de verplichting op te leggen om het besluit in te trekken en, kort gezegd, alles wat al ter uitvoering van het besluit gedaan was, ongedaan te maken.

De Ondernemingsraad stelde zich in dit verband op het standpunt dat de opheffing van de functie een adviesplichtig besluit betrof in de zin van artikel 25, lid 1 aanhef en onder e van de Wet op de Ondernemingsraden. In dat artikel staat dat de Ondernemingsraad door de ondernemer in de gelegenheid wordt gesteld advies uit te brengen over elk door hem voorgenomen besluit tot een belangrijke wijziging in de organisatie van de onderneming dan wel in de verdeling van de bevoegdheden binnen de onderneming.

Het oordeel van de Ondernemingskamer luidde dat er wel degelijk sprake was van een adviesplichtig besluit, waarbij meegewogen werd dat de Senior Solutions Salesmanager leiding gaf aan de grote, belangrijke afdeling Sales binnen het bedrijf en dat de leidinggevende en strategische taken van deze functionaris na opheffing van de functie zouden worden overgedragen aan een andere functionaris die een functie bekleedde met een belangrijk strategisch karakter. Die functionaris was, anders dan de Senior Solutions Salesmanager, mede WOR-bestuurder en aanspreekpunt van de Ondernemingsraad.

Het besluit had een belangrijke wijziging van de taken en verantwoordelijkheden binnen de afdeling Sales tot gevolg. Er werd in feite een managementlaag geschrapt met als gevolg dateen groot deel van het personeel van de onderneming anders in de organisatie werd gepositioneerd. Het besluit leidde (dientengevolge) tot een aanzienlijke verzwaring van een andere functie. Al met al leidde het besluit tot een ingrijpend gewijzigde opzet van de afdeling Sales met als gevolg dat er sprake was van een belangrijke wijziging in de organisatie van de onderneming dan wel in de verdeling van de bevoegdheden binnen de onderneming als bedoeld in artikel 25, lid 1, sub e van de WOR. Dat het besluit van de ondernemer slechts betrekking had op één persoon / functie maakte hier dus niet dat het niet ging om een belangrijke wijziging in de organisatie dan wel in de verdeling van de bevoegdheden.

Het gegeven dat de Ondernemingskamer hier oordeelde dat opheffing van één functie adviesplichtig was, betekent niet dat dit nu de stelregel is. De overwegingen zoals opgenomen in de beschikking maken duidelijk dat, zoals zo vaak, alles afhangt van de omstandigheden van het geval.

De vraag of een besluit van de ondernemer dat slechts betrekking heeft op één functie adviesplichtig is, is vaker bij de rechter aan de orde gesteld.

Zo oordeelde het Hof Amsterdam in zijn beschikking van 23 maart 2006 (ECLI:NL:GHAMS:2006:AX7737, niet gepubliceerd op Rechtspraak.nl) dat een voorgenomen inkrimping van een onderafdeling met 1,2 fte, gelet op onder meer de omvang van de betreffende afdeling en het gegeven dat er geen sprake zou zijn van gedwongen ontslagen, niet gezien kon worden als een belangrijke inkrimping van de werkzaamheden van de onderneming, waarbij overigens wel werd overwogen dat het op zich niet zou zijn uitgesloten dat een in absolute zin geringe inkrimping toch beschouwd zou kunnen worden als belangrijke inkrimping.

In de beschikking van het Hof Amsterdam van 29 mei 2007 (ECLI:NL:GHAMS:2007:BB2434, niet gepubliceerd op Rechtspraak.nl) stonden uiteindelijk slechts drie arbeidsplaatsen ter discussie, maar was niettemin sprake van een ingrijpend besluit gelet op onder meer het aspect dat het besluit (waarvan het gevolg was dat drie arbeidsplaatsen ter discussie stonden) betrekking had op de werkzaamheden van 65 werknemers, en ging over een onderdeel van de onderneming dat zich toelegde op een specifieke en als zodanig herkenbare activiteit binnen de onderneming.

Daarentegen was het besluit van KLM om op een deel van haar intercontinentale vluchten één cabinebemanningslid minder in te zetten geen adviesplichtig besluit op grond van onder meer de overweging dat het besluit weliswaar leidde tot een verzwaring van de op zichzelf ongewijzigd gebleven werkzaamheden, maar dat er geen sprake was van een ingrijpende wijziging van de taken en verantwoordelijkheden van een groot deel van het cabinepersoneel.

Wijziging van de organisatie en politiek primaat

In het geval dat in de sector overheid sprake is van een door de ondernemer doorgevoerde verandering in de organisatie, dient natuurlijk ook de vraag gesteld te worden of er sprake is van een belangrijke wijziging in de zin van artikel 25, lid 1, sub e van de WOR, maar bovendien kan dan de vraag aan de orde komen of het besluit niet valt onder het zogeheten politiek primaat. In artikel 46d, lid b van de WOR staat immers dat de publiekrechtelijke vaststelling van taken van publiekrechtelijke lichamen en onderdelen daarvan, noch het beleid ten aanzien van en de uitvoering van die taken, behoudens voor zo ver het betreft de gevolgen daarvan voor de werkzaamheden van de in de onderneming werkzame personen, zich onttrekken aan de onderwerpen waarover de ondernemer geacht wordt met de Ondernemingsraad overleg te voeren.

In zijn beschikking van 25 februari 2021 (ECLI:NL:GHAMS:2021:787) sprak de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam uit dat een besluit om in de topstructuur van een gemeente een managementlaag te laten verdwijnen niet adviesplichtig was. In die situatie overwoog de Ondernemingskamer dat de beslissing over de inrichting van de structuur van de ambtelijke top onmiskenbaar een politieke afweging van de daaraan verbonden voor- en nadelen vergde met als gevolg dat het besluit onder het primaat van de politiek viel.

Dit betekent dat als een overheidsorganisatie een besluit voorbereid met betrekking tot een organisatiewijziging als eerst de vraag gesteld dient te worden of dat besluit een politieke afweging van de daaraan verbonden voor- en nadelen vergt waarbij de uitspraak van 25 februari 2021 duidelijk maakt dat daarvan al snel sprake is, zeker als het gaat om een wijziging in de top van de organisatie.

Conclusie

Weliswaar heeft de Ondernemingskamer in zijn uitspraak van 29 maart 2023 geoordeeld dat in dit geval opheffing van één specifieke functie adviesplichtig was, maar daaraan mag niet de conclusie verbonden worden dat dat altijd het geval is. Het ging hier om een belangrijke organisatiewijziging omdat een grote afdeling anders werd gepositioneerd in de organisatie van de onderneming met gevolgen voor de aansturing van een groot aantal werknemers. Dat die reorganisatie slechts tot de opheffing van één functie leidde, maakt niet dat een dergelijke ingrijpende organisatie toch als “niet belangrijk” kan worden worden aangemerkt.

Specifiek voor overheidsorganisaties is het belangrijk dat eerst de vraag aan de orde komt of er sprake is van het politiek primaat. Juist als er sprake is van een belangrijke inkrimping, uitbreiding of andere wijziging van de werkzaamheden dan wel belangrijke wijziging in de organisatie dan wel in de verdeling van de bevoegdheden, zal daar betrekkelijk snel sprake van zijn, gelet op de politieke afweging die dergelijke beslissingen vergen.

Contact over dit onderwerp

Martijn Steuten Capra Den Bosch

Martijn Steuten

Advocaat
Vestiging:
's-Hertogenbosch
Sector:
Overheid, Zorg
Expertteam:
Arbeidsrecht, Ambtenarenrecht (militair)
Telefoon:
073 - 613 13 45
Mobiel:
06 48 98 00 10

Gerelateerd

Sociale veiligheid op de provinciale werkvloer 150 150 Capra Advocaten

Sociale veiligheid op de provinciale werkvloer

Artikel

lees meer
Geheime camera’s in de zorg 150 150 Capra Advocaten

Geheime camera’s in de zorg

Artikel

lees meer
Hoofdlijnenakkoord: wat betekent dit voor het onderwijs? 150 150 Capra Advocaten

Hoofdlijnenakkoord: wat betekent dit voor het onderwijs?

Artikel

lees meer

Blijf op de hoogte

Blijf op de hoogte over ontwikkelingen, interessante jurisprudentie en wetswijzigingen op het gebied van arbeidsverhoudingen binnen de sectoren overheid, onderwijs en zorg. Selecteer welke nieuwsbrieven u wilt ontvangen en wij houden u op de hoogte.

Vestiging Den Haag
Laan Copes van Cattenburch 56
2585 GC Den Haag
Telefoon 070-364 81 02
Fax 070-361 78 47
denhaag@capra.nl

Vestiging ‘s-Hertogenbosch
Bastion Vught 1
5211 CZ ‘s-Hertogenbosch
Telefoon 073-613 13 45
Fax 073-614 82 16
s-hertogenbosch@capra.nl

Vestiging Zwolle
Terborchstraat 12
8011 GG Zwolle
Telefoon 038-423 54 14
Fax 038-423 47 84
zwolle@capra.nl

Vestiging Maastricht
Spoorweglaan 7
6221 BS Maastricht
Telefoon 043-7 600 600
Fax 043-7 600 609
maastricht@capra.nl