De bedrijfsarts: onderwerp van wetgeving en procedures
Print pagina

De bedrijfsarts: onderwerp van wetgeving en procedures
Sprekers:
Locatie:
Datum:
31 augustus 2015
Aanvang:
Kosten:
0
Datum:
31 augustus 2015
Locatie:
Datum:
31 augustus 2015
Geplaatst op:
31 augustus 2015
Twee jaar geleden schreef ik in de Capra Concreet, naar aanleiding van enkele zaken waarbij de bedrijfsarts letterlijk (fysiek) bedreigd was, een artikel over ‘de bedreigde bedrijfsarts’. Ook de positie van de bedrijfsarts binnen de bedrijfsgeneeskundige begeleiding kwam hierin naar voren. Uit onderzoek bleek namelijk dat de toegankelijkheid van de bedrijfsarts voor werknemers een knelpunt vormde. Verder heb ik in dat artikel enkele uitspraken besproken, waaruit bleek dat de bedrijfsarts c.q. de arbodienst aansprakelijk gesteld kan worden voor onjuiste adviezen.

Ook recent zijn er weer veel interessante ontwikkelingen op dit gebied. Tijd dus voor een vervolg.

Wetgeving

Allereerst zijn er ontwikkelingen op het gebied van wetgeving. In zijn brief van 28 januari 2015 heeft minister Asscher het voornemen uitgesproken voor een wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet. De bedoeling is om met deze wijziging de adviserende rol van de bedrijfsarts te verduidelijken: in plaats van ‘bijstand’ komt in de wet te staan ‘adviseren’. De bedrijfsarts zal dus voortaan – als het aan  minister Asscher ligt – geen bijstand meer verlenen, maar adviseren bij de begeleiding van zieke werknemers. De werkgever is verantwoordelijk voor de daarop gebaseerde acties, zoals het plan van aanpak en de voortgangsgesprekken met de zieke werknemer.

Met deze verduidelijking c.q. bevestiging meent de minister te voorkomen dat een werkgever de verzuimbegeleiding geheel aan de bedrijfsarts overlaat, zoals blijkbaar in bepaalde gevallen is geconstateerd. Het zou de onafhankelijkheid van de bedrijfsarts ten goede komen, aldus de minister.

Verder stelt het kabinet voor om in de Arbeidsomstandighedenwet vast te leggen dat voor alle werknemers de mogelijkheid bestaat om de bedrijfsarts te consulteren. Bovendien zouden in de wet minimumeisen moeten worden gesteld aan het contract tussen arbodienstverleners en werkgevers, het ‘basiscontract’. In dit basiscontract komen dan onder meer vijf specifieke eisen te staan, die bijdragen aan de goede beroepsuitoefening van de bedrijfsarts. Bijvoorbeeld: dat de bedrijfsarts de werkplek moet kunnen bezoeken en dat de bedrijfsarts overleg kan hebben met het medezeggenschapsorgaan.

Over het wetsvoorstel is inmiddels een Internetconsultatie geweest. De Nederlandse vereniging voor arbeids- en bedrijfsgeneeskunde (NVAB) heeft in dat verband gereageerd met de brief van 21 mei 2015. De NVAB ondersteunt de voorgenomen wetgeving, waarbij wel enkele kritische kanttekeningen zijn gemaakt. Er wordt onder meer een aantal omissies geconstateerd. Zo is bijvoorbeeld onduidelijk hoe de financiering van de voorzieningen zoals in de wet geformuleerd wordt geregeld. Het wetgevingsproces zal nu een vervolg krijgen.

Jurisprudentie

Er zijn de afgelopen periode ook verschillende interessante uitspraken gepubliceerd waarin de rol van de bedrijfsarts aan de orde was. Ik zal er hierna enkele bespreken.

Tuchtrecht

Bedrijfsartsen vallen onder het medisch tuchtrecht. Op dit gebied zijn er dit jaar enkele relevante uitspraken gedaan. Daarin komen vooral de volgende thema’s terug:

- Noodzaak verrichten nader onderzoek

In de uitspraak van 23 januari 2015 van het tuchtcollege te Zwolle, oordeelt het college dat de bedrijfsarts te snel de conclusie had getrokken dat klachten uitsluitend werkgerelateerd waren. De bedrijfsarts had nader onderzoek moeten doen en informatie bij de huisarts moeten opvragen. Het college verwees daarbij naar de STECR-werkwijzer arbeidsconflicten. STECR is overigens een onafhankelijke organisatie waar diverse partijen kennis en ervaring op het gebied van werk en zorg delen.

Verder is relevant de uitspraak van het centraal tuchtcollege van 31 maart 2015. In deze uitspraak geeft het tuchtcollege aan een nieuwe norm te hebben geformuleerd. Het gaat om een norm die ook al gold voor de verzekeringsarts. In de uitspraak wordt de norm voor de verzekeringsarts letterlijk aangehaald, namelijk:
“Een verzekeringsarts kan op zijn eigen oordeel varen als het gaat om het vaststellen van beperkingen. De verzekeringsarts dient de behandelende sector te raadplegen in die gevallen waarin een behandeling in gang gezet zal worden of reeds plaatsvindt en die behandeling een beduidend effect zal hebben op de mogelijkheden tot het verrichten van arbeid van de betrokkene of indien de betrokkene stelt dat de behandelend sector een beredeneerd afwijkend idee heeft over zijn beperkingen. Ook latere bevindingen en verklaringen kunnen in het algemeen geen grond vormen om de totstandkoming van een besluit als onzorgvuldig aan te merken noch kunnen voor de rechter slechts grondvormen om een nader onderzoek te doen instellen.”

Deze norm geldt nu dus ook voor de bedrijfsarts. Kort gezegd dient de bedrijfsarts dus contact op te nemen met de behandelaar(s), als de medewerker stelt dat deze een ‘beredeneerd afwijkend idee’ heeft over de beperkingen.

- Beroepsgeheim

In de uitspraak van het centraal tuchtcollege van 31 maart 2015 oordeelt het tuchtcollege dat ook de werkgever aan te merken is als klachtgerechtigd. In deze procedure kwam ook het beroepsgeheim aan de orde. De bedrijfsarts stelde in deze procedure dat zijn medisch beroepsgeheim hem belette om een adequate verdediging te voeren. Het tuchtcollege onderkent dit, maar vindt dat het aan de tuchtrechter is om te beslissen in welke mate dit kan worden ondervangen, bijvoorbeeld door kennisname van bepaalde stukken voor te behouden aan een gemachtigde die arts of advocaat is.

Verder is in dit verband een andere uitspraak van het centraal tuchtcollege van 31 maart 2015 relevant. Hierin was aan de orde een klacht van een medewerkster dat de bedrijfsarts zonder toestemming medische informatie aan de werkgever had verstrekt. Het betreft vermelding van medische gegevens op de zogenaamde functiemogelijkhedenlijst (FML). De bedrijfsarts ging ervan uit dat de medewerkster daarvoor toestemming had gegeven, maar het tuchtcollege oordeelde anders. Het college was van oordeel dat de bedrijfsarts niet juist had gehandeld.

Bovendien kan hierbij genoemd worden de uitspraak van het tuchtcollege Den Haag van 2 juni 2015. Volgens het college brengt het beroepsgeheim mee dat de bedrijfsarts de werkgever uitsluitend die informatie omtrent de medische situatie van een werknemer mag verschaffen, die de werkgever ten behoeve van de re-integratie in het eigen werk moet kennen. Maar in dit geval strekte de gegeven informatie – ‘As I problematiek’ (psychische ziekte) en ‘As II afwijkingen’ (achterliggende persoonlijkheidsstoornissen) - daar niet toe. De bedrijfsarts had deze informatie niet mogen geven.

- Bedrijfsarts moet het bij eigen deskundigheid houden

De uitspraak van het centraal tuchtcollege van 7 april 2015 gaat over de grenzen van de deskundigheid van de bedrijfsarts. Met de opmerking van de bedrijfsarts in een rapport ‘bijstelling probleemanalyse WIA’ dat de werkgever, nadat de betreffende werkneemster (klaagster) twee jaar uit het arbeidsproces was geweest, wederom geconfronteerd werd met een discontinuïteit vanwege haar zwangerschap, was de bedrijfsarts naar het oordeel van het college buiten haar boekje gegaan. Het is althans volgens het college niet aan de bedrijfsarts om zich over bedrijfsmatige consequenties in een onderneming van een zwangerschap van een werkneemster te buigen.

- Overleg

Het centraal tuchtcollege deed op dezelfde datum, 7 april 2015, nog een andere relevante uitspraak. Het ging er in deze kwestie om dat de bedrijfsarts een bepaalde situatie als een ‘arbeidsconflict’ had aangeduid. Dat de betreffende medewerkster dit niet als een arbeidsconflict had geduid, doet hier volgens het tuchtcollege niet aan af, nu dit een diagnose is die door de bedrijfsarts zelfstandig behoort te worden gesteld. Maar volgens het college heeft de bedrijfsarts ten onrechte verder niet gehandeld conform de STECR-werkwijzer arbeidsconflicten. Volgens het tuchtcollege had de kwalificatie ‘arbeidsconflict’ immers met de medewerkster besproken moeten worden, en de bedrijfsarts had dit ten onrechte nagelaten. Dit was volgens het college onzorgvuldig.

Tot zover de tuchtrechtelijke uitspraken. Daaruit blijkt onder meer hoe veel waarde gehecht wordt aan het beroepsgeheim. Verder dient de bedrijfsarts in bepaalde gevallen contact op te nemen met de huisarts c.q. de behandelend arts, en dient de arts de grenzen van zijn deskundigheid goed in acht te nemen. Verder blijkt uit de uitspraken het belang van de STECR-werkwijzer arbeidsconflicten.

Aansprakelijkheid

Naast deze tuchtrechtelijke uitspraken kunnen enkele uitspraken genoemd worden die hebben geleid tot aansprakelijkheid van de bedrijfsarts c.q. de arbodienst. Het gaat om uitspraken waarin de werkgever de loonsanctie UWV op de bedrijfsarts wil verhalen en uitspraken waarin de vraag aan de orde is of de bedrijfsarts over het WAO-verleden had moeten informeren.

- Verhaal loonsanctie UWV

Twee uitspraken zijn in dit verband te noemen.

In de eerste plaats de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 29 oktober 2014. Een werkgever werd geconfronteerd met een door UWV opgelegde loonsanctie. Volgens de werkgever kwam dit door onjuiste adviezen van de arbodienst. Maar de arbodienst betwistte dit, omdat er sprake was van een verschil van inzicht tussen de bedrijfsarts en de verzekeringsarts van het UWV. Dit kan de arbodienst niet worden aangerekend. Maar volgens de rechter faalt dit verweer. De werkgever schakelt immers juist een arbodienst in vanwege de specialistische kennis die nodig is om een zieke werknemer zo succesvol mogelijk te laten re-integreren. Een werkgever mag er hierbij vanuit gaan dat de bedrijfsarts bij de advisering rekening houdt met de beoordeling die het UWV achteraf maakt. De arbodienst is daarom aansprakelijk voor de ontstane schade, dat wil zeggen de loonsanctie.

In de tweede plaats de uitspraak van de rechtbank Midden Nederland van 10 juni 2015. Ook in deze zaak was de vraag aan de orde of de arbodienst aansprakelijk was voor een loonsanctie die de werkgever door UWV was opgelegd. Uit de uitspraak blijkt dat de betreffende medewerker psychische en lichamelijke klachten had. Partijen waren het erover eens dat - volgens de richtlijnen - een multidisciplinaire behandeling aangewezen was. De arbodienst stelde dat van richtlijnen afgeweken mag worden en dat er in deze kwestie goede redenen waren om bij deze medewerker geen psychische behandeling te adviseren. De rechtbank was echter van oordeel dat het de bedrijfsarts verweten kon worden dat hij er niet op had toegezien dat de medewerker volgens de richtlijnen noodzakelijke verwijzing naar behandeling voor zijn psychische klachten kreeg, omdat deze klachten werkhervatting (mede) belemmerden. Hiermee was volgens de rechtbank sprake van een beroepsfout, zodat de arbodienst aansprakelijk was.

- Informeren WAO-verleden

Is de bedrijfsarts verplicht om een medewerker te vragen naar zijn WAO/WIA-verleden, en mag de bedrijfsarts de werkgever daarover informeren? Deze vraag kwam aan de orde in de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 21 januari 2015. De werkgever stelde in deze procedure dat de arbodienst de genoemde verplichting had. De arbodienst zag dit echter anders, maar kreeg geen gelijk. De rechtbank verwijst in de uitspraak naar de zogenaamde ‘no risk polis’ in de Ziektewet (art. 29b ZW). Deze houdt in dat een werkgever die een gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemer in dienst neemt, binnen vijf jaar aanspraak op een uitkering op grond van de Ziektewet heeft. De werkgever kan echter alleen een ziekmelding doen bij UWV als hij op de hoogte is van het WAO-verleden van de werknemer. De rechtbank is daarom van oordeel dat informatie over de aanspraak op ziekengeld op grond van Artikel 29b Ziektewet door een arbodienst aan de werkgever mag worden gemeld en dus niet onder het medisch beroepsgeheim valt.

Ook op het gebied van het aansprakelijkheidsrecht dus uitspraken die belangrijke gevolgen kunnen hebben voor de arbodienst.

Conclusie

Gezien de hiervoor genoemde jurisprudentie, kan geconcludeerd worden  dat de bedrijfsarts geen rustig bestaan heeft. Zijn handelen staat althans met enige regelmaat ter discussie in juridische procedures. Dit kan (ook) positief bezien worden, nu deze aandacht de kwaliteit van zijn werk ten goede kan komen. Uit de genoemde uitspraken blijkt bovendien het grote belang van de betrokkenheid van de bedrijfsarts bij re-integratie. Zijn adviezen zijn daarbij van grote betekenis, en als deze niet zorgvuldig tot stand komen, kan dit leiden tot aansprakelijkheid. De voorgenomen wetgeving zal hier naar verwachting niets in veranderen. Dit neemt niet weg dat het goed is dat ook de wetgever goed naar de positie van de bedrijfsarts kijkt en ter zake wetgevingsvoorstellen doet, zodat er meer duidelijkheid komt over de positie, ook in het belang van de bedrijfsarts zelf.

Mark van de Laar
Capra Zorg
Telefoon:
Mobiel:
E-mail:
Linkedin

Zoeken

Contact over dit onderwerp

Mark van de Laar

Mark van de Laar

Telefoon 043-7600600